Jan Brokken

15 april | Literair Café Helmond
Door Martin Thijssen

“De werkelijkheid is veel rijker dan je kunt verzinnen.”

Deze laatste avond van het seizoen, met als gast Jan Brokken, werd door een van de ruim vierhonderd aanwezigen een “superavond” genoemd. En ze sprak namens velen.

In zijn inleiding had de voorzitter van het Literair Café Jan Brokken al getypeerd als de schrijver die “geschiedenis levend en spannend weet te maken”, doordat hij de geschiedenis “niet van bovenaf” vanuit de machthebbers benadert, maar “van onderop” vanuit het voelen, denken en handelen van vaak gewone mensen. Die woorden maakte Jan Brokken, beginnend met zijn roman “De vergelding”, volledig waar. Hij is een rasverteller, een voordrachtkunstenaar.

Uitgangspunt in “De vergelding” is een tijdens de Duitse bezetting waar gebeurde sabotagedaad met gruwelijke gevolgen. Plaats van handeling is een dorpje bij Rotterdam, waar Brokken opgroeide en zijn vader dominee was. De officiële versie van het verhaal, zoals die bij de jaarlijkse herdenking wordt verteld, lijkt niet te kloppen. Er gaan allerlei verhalen. Blokker gaat die onderzoeken: duizenden pagina’s aan archiefteksten en 185 interviews. Het werkelijke verloop blijkt heel anders te zijn geweest.

Die werkelijkheid blijkt gecompliceerder, maar ook rijker, wreder, harder, maar ook tederder dan je kunt verzinnen. Alles blijkt ook anders dan in de bekende Nederlandse oorlogsfictie is beschreven, zoals in “De Aanslag” van Mulisch of “De Hongerwinter” van Terlouw. En inderdaad, de fantasie kan niet op tegen het feitelijke relaas van de kapper uit “De vergelding” die op zijn sterfbed, schreeuwend van angst, het oordeel van De Heer vreest over zijn lustvol kaalscheren van zogenaamde “moffenvrouwen”. En dan het hartverscheurende  verhaal van Alie, wier geliefde man zo uit het nog warme bed wordt gesleurd en onschuldig voor het vuurpeloton wordt gezet. En de directeur van de vlasfabriek die de executie wil verhinderen, en het zevende slachtoffer wordt. Of de in de hongerwinter  uitgemergelde vrouw met twaalf kinderen met een kind nog aan de borst, die van een uitgeputte , radeloze wildvreemde vrouw als pakketje een dertiende kind toegestopt krijgt en dit aan de andere borst aanlegt en als “Stokkie” opvoedt, en van zijn moeder later niets meer hoort. Allemaal feiten, niets verzonnen. Het zijn vertelmomenten waarop de zaal stil wordt.

Waarom alles uit het verleden weer oprakelen, is vraag van een van de familieleden van een personage uit het boek. Brokken geeft het antwoord via Alie, wier man uit haar bed onschuldig voor het vuurpeloton werd gesleept:  Zij wil weten waarom haar man vermoord is: “Iedereen in het dorp,  heel Nederland, de hele wereld moet het weten” En: “Als we niet alles weten heeft geschiedenis geen zin” , voeg ze er aan toe.

Na de pauze gaat Brokken in op “Baltische Zielen”, een verzameling familiegeschiedenissen.  We weten hier nog steeds weinig over de Baltische staten, die grote namen hebben voortgebracht als Arendt, Weber Eisenstein, Rothko. De volkeren hebben geleden en langzaamaan hun vrijheid herkregen. Maar Brokken  wijst  er- een verband leggend met de Oekraïne en de Krim - ook op dat in Estland en Letland de Russisch sprekende minderheid nog steeds niet alle burgerrechten heeft. Hier ligt een groot gevaar.

Volgens Brokken heeft het Westen de afgelopen jaren de fout gemaakt, zich eenzijdig te richten op de Verenigde Staten. Men is Rusland vergeten. En het was een onvergeeflijke blunder van Obama om Rusland af te schilderen als slechts een “regionale grootheid”. “Sindsdien kijkt Poetin verbeten. Dit kun je tegen een Rus nooit zeggen. Men moet blijven praten. Onze hoop is Angelika Merkel die Russich spreekt. Maar de situatie is gespannen.”

Brokken wil positief, hoopvol, eindigen en vertelt het verhaal van Blok, de boekhandelaar van zijn vader, die in Dachau een tekening maakte van hoe zijn boekhandel er na de oorlog zou moeten uitzien. “Je moet hoop houden.”, aldus Jan Brokken.

Een fantastische avond met een welverdiend langdurig applaus voor Jan Brokken.


Geert Mak

11 maart | Literair Café Helmond
Door Martin Thijssen

“Amerika, Amerika…”

Geert Mak is een rasverteller. De bijna zeshonderd toehoorders genoten. “Amerika , Amerika”, begon Mak op fluistertoon, alsof hij ontwaakte uit een droom over de jaren vijftig , waarin Amerika voor de Europese kinderen het droomland was: “Het land van de platte pakjes kauwgom, mooi ingepakt, met een los plaatje van een filmster.” En dan “de pakjes met groenwitte poeder , waarvan moeder soep kon koken: California”, en “de Donald Duck die plotseling in de brievenbus viel.”. De “O, ja’s” van herkenning klinken in de zaal. Met zijn inleiding geeft Mak tevens zijn sterke kant aan: Van het detail - herkenbaar of verrassend onbekend - neemt hij je als lezer mee naar het grotere geheel en laat achtergronden zien.

In “reizen zonder John. Op zoek naar Amerika”, maakt Geert Mak de Amerika-reis, die John Steinbeck vijftig jaar eerder heeft gemaakt en heeft beschreven in “Reizen met Charley”. Steinbeck’s eigen zoektocht naar zijn Amerika was ook een reis om zich in zijn mid-life-crises te bewijzen als de stoere, eenzaam reizende man, hoewel zijn vrouw de halve reis bij hem was. Maar hij schreef haar later omwille van zijn stoerheid uit zijn boek, en op de stoel naast hem zat niet zijn vrouw, maar zijn poedel Charley.

Hoe ziet Steinbecks Amerika er nu uit? Wat is er veranderd? Dat vroeg Geert Mak zich af. Mak roert de grote thema’s aan en gaat daarbij terug in de historie. De Amerikanen hebben hun land moeten veroveren, en daarbij ook gruwelijkheden begaan, met name in de negentiende eeuw. Ze hebben moeten knokken om te overleven en dan is er na de Tweede Wereldoorlog plotseling die overvloed. Je kon alles kopen: Wasmachines, radio’s , de nieuwste Chevrolet. General Electrics overspoelde het land met elektrische huishoudapparaten: “Ze werden aangeprezen door de tv-verkoper bij uitstek, Ronald Reagan.”

De Amerikanen geven het geld royaal uit, en blijven dat doen, dat wil zeggen, degenen, die werk en dus inkomen hebben. Want er heerst in dit mooie land ook veel armoede, of bijna armoede: Gezinnen die door hun spaarcenten heen zijn en hun huis moeten verkopen en bij familie onderdak moeten vinden of in campers leven. En armen zijn voor de Amerikanen nog steeds arm omdat ze lui zijn.

Amerikanen zijn er trots op Amerikaan te zijn. En Amerika is Gods beloofde land: “God bless America”. Ze zijn religieus op een speciale manier Ze hebben een direct contact met God, zonder de Europese theologen ertussen. Driekwart gelooft en de helft ook nog in een hel met vuur en pek.

De Amerikanen hebben altijd een missionaire drang gehad. Hun democratische waarden wilden ze de hele wereld opleggen ,waarbij ze soms de complexiteit van de wereld buiten hun eigen wijk en land over het hoofd zagen en afschuwelijke brokken maakten en een puinhoop achterlieten: zoals in Irak en Afghanistan. Vooral de kosten van de oorlogen en het verlies aan Amerikaanse levens, hebben een andere koers tot gevolg. Maar of dit blijft?

De Amerikanen zijn aan hun wijk en gemeenschap gebonden. De steden zijn ze ontvlucht. Ze wonen in “suburbs” met mooie grasvelden, tenminste als ze het goed hebben. Veel steden verloederen, of de centra zijn, als ze geen museale waarde hebben ,veranderd in efficiënte Shopping Malls.

Amerikanen zijn verspillend. Het kan niet op. “Milieu” en “duurzaamheid” zijn Europese begrippen. Is de ene bron op, dan ga je naar de volgende: De schaliegaswinning lijkt de “methadonvervanging” te worden voor de olie. Amerikanen zijn soms “zestienjarigen”, die je nu eens haat, en dan weer lief hebt, en Europeanen zijn vergeleken met hen soms “ouwe mannen”. Maar dat zijn vooroordelen. Mak heeft wel geleerd dat in Amerika elk vooroordeel maar beperkt houdbaar is. Het is telkens weer anders. Dat is ook een kenmerk van het land.

Amerika is op dit moment gepolariseerd. De echte brede politieke discussie ontbreekt. Het is verketterende propaganda geworden via de media, vooral de tv . De Democraten en Republikeinen blokkeren elkaar. Mak ziet de tea-party als een laatste defensieve wanhoopsactie van angstige oerconservatieven, die vaak tegen beter weten in aan oude waarden en normen vasthouden. Obama heeft het moeilijk. Hij kwam in een zwijnenstal. Maar hij heeft het ook enigszins aan zichzelf te wijten, hij toch een beetje de arrogante professor en te weinig de man van het volk en de politieke onderhandelaar. Is het Racisme verdwenen? Niet helemaal. Toen een reporter Obama daarop aansprak , nam hij hem mee naar buiten en zei: “Kijk eens wat er gebeurt wanneer ik als kleurling een taxi probeer te krijgen?”

En de toekomst?. De samenstelling van de bevolking verandert snel door de massale instroom uit vele andere landen, denk aan de Latino’s. Blijft ,dat er op dit moment toch ook een crisissituatie is, zoals ook hier. Er is herbezinning nodig, maar dat vereist ook een politieke wil tot samenwerking.

Een boeiende,verrijkende avond!

Hans van de Waarsenburg en Wim Daniëls

29 januari | Literair Café Helmond
Door Martin Thijssen

“Naklank”

Zichtbaar trots bood de wethouder van cultuur, Jan van de Heuvel, de zeventigjarige Hans van de Waarsenburg in het Literair Café Helmond het eerste exemplaar aan van diens nieuwste bundel “Naklank”.

Hans van de Waarsenburg, de kapperszoon, die al langer in Maastricht woont dan in Helmond, zat er niet als de verloren zoon die is teruggekeerd, maar als het familielid dat even weg is geweest en nu weer gewoon de huiskamer is binnengestapt, en zo wordt hij door de meer dan vijfhonderd aanwezigen ook ontvangen. Maar deze Helmondse kapperszoon is intussen wel een alom bekend en geprezen schrijver, die prachtige melancholieke, maar ook humorvolle, en vooral beeldrijke gedichten schrijft over onder andere zijn vroegere Helmondse thuis: zijn jeugd, de markt, de Aa, de beemd, de voetbalclub Mulo k., de Warande, de Zuidwal, het kasteel, enzovoorts. Uit het gedicht “Naklank” in de gelijknamige bundel:

“Geofferd op het altaar
Van jeugd, levenslang
Schaatsend in Binderen,
Klompen, kranten, O.L.

Vrouw van Ongedurige
Vrieskou. Baden wij: Geef
Ons heden Worstenbrood.
Want morgen zijn we dood."

”Hans zit achter de tafel als ware het de huiskamertafel. Wim Daniëls stelt hem vragen. En dan komen tussen de serieuze gesprekken over literatuur de anekdotes over het oude Helmond, zoals die over de Duitse officier die een bekende cafébaas beval een door hem geschoten konijn te braden, waarna de cafébaas een kat heeft geslacht en hem die ’s avonds heeft voorgezet, om vervolgens het konijn met familie en vrienden op te peuzelen.

Thuis waren geen boeken . “Boeken zijn stofnesten”, zei zijn moeder. De bibliotheek was zijn redding. Van Waarsenburgs debuut was op de Kweekschool: Verzamelde gedichten uit de schoolkrant. Al vroeg kreeg hij de Jan Campert-prijs en kwam hij als “Helmondse jongen” in het nationale en internationale schrijverscircuit terecht, onder andere als secretaris van de P.E.N. Ontroerd vertelt hij hoe hij daar ook de jonge kettingrokende Heinrich Böll leerde kennen, de latere Nobelprijswinnaar, de man met het oorlogstrauma trauma, die bij de voordeur steeds een koffer had staan voor het geval dat. Het werd een vriendschap voor het leven.

Van de Waarsenburg vertelt zijn Helmondse verhalen en illustreert die met gedichtfragmenten. “Gedichten moet je niet uitleggen, je moet het verhaal erachter vertellen, dan lezen mensen het anders”. Hij bewondert de klassieken: Bloem en Nijhoff. Maar hij is breed literair, nationaal en internationaal, op de hoogte. Hij vindt de vorm van een gedicht belangrijk. Hij houdt van blokken die een inhoudelijke eenheid vormen.

Wim Daniëls vertelt na de pauze over zijn werk bij het Grootwoordenboek Van Dale. Hij verklapt dat in 2015 de laatste editie van Van Dale als gedrukte boeken uitkomt. Daarna alleen nog digitaal. Hij laat aan de hand van enkele voorbeelden de invloed van de tijdgeest en de redacteuren zien bij het toekennen van woordbetekenissen. Zo had een van de vroegere redacteuren echt de pest aan jeugd en verbond met nieuwe woorden die op de jeugd betrekking hadden dan ook voortdurend negatieve kwalificaties: “Nozems” waren bijvoorbeeld: “branieschoppende teddyberen”, “Pop”, was de muziek voor “onrijpe jongeren”. Iets wat vandaag absoluut niet meer zou kunnen. Een woordenboek maken moet ook door een team gebeuren. Hij leest ook enkele gedichten voor, onder andere zijn nieuwe, mooie “Wilhelmus”, een ode aan mensen die ten onrechte genegeerd worden.

Een ontspannen, gezellige avond, met veel humor en nostalgie, voortreffelijk geleid door Wim Daniëls. En de bundel “Naklank”zou iedere Helmonder moeten kopen!

Petra Stienen

27 November | Literair Café Helmond
Door Martin Thijssen

"Het andere Arabische geluid"

In een café in Cairo sprak een oude vrouw haar aan: “Habibti, liefje, … jij hebt andere zaken te doen . Jij kunt mensen met elkaar in contact brengen. Dat is een talent, koester het. Je bent meer dan een toerist, of een buitenstaander. Je kunt uitstekend observeren. Zorg dat je goed Arabisch leert, zodat je kunt begrijpen wat er in Egypte gebeurt en vertel daarover in eigen land. Laat je stem horen, zodat ook onze stemmen in jouw land doorklinken.” En Petra Stienen ( geb.1965) vervolgt: “Er was geen ontsnappen aan . Ik zou hier de rest van mijn leven weer terugkeren. Als een minnares naar haar geliefde, als een mot naar de vlam.”

In de overvolle Traversezaal, waar in allerijl stoelen bijgeplaatst moesten worden om de ruim vijfhonderd bezoekers een plek te geven , leest Petra Stienen voor uit haar eerste roman “Dromen van een Arabische lente” (2008 ), die in 2012 gevolgd zou worden door “Het ander Arabische geluid”.

Ze wil deze avond geen zwaar politiek en pessimistisch verhaal houden over de situatie in het Midden-Oosten. Ze wil de stem van de hoop laten horen. Met de boodschap van de hoop verbindt ze ook de waarschuwing dat we geduld moeten hebben. Veranderingen in het Midden Oosten gaan decennia duren. En we moeten ook niet de illusie moeten dat we de wereld daar ons westers “democratisch model” kunnen opleggen. En - last but not least - voorspellingen doen over ontwikkelingen in het Midden Oosten is in Arabische koffiedik kijken.

Petra Stienen is in 1995 in Cairo als diplomaat met mensenrechten als aandachtsveld begonnen. Later is ze overgeplaatst naar Damascus. Ze komt - zo vertelt ze – uit de “Donderberg”, een wijk in Roermond, de buurt van de “ onrendabelen”, de “kansarmen”, ooit zo genoemd in een televisieprogramma. Zelf is ze het kind van een zeventienjarige moeder en het enige kind dat gestudeerd heeft. Met zichtbaar plezier vertelt ze, dat toen men haar tijdens een intake voor de diplomatenopleiding vroeg “wat ze van thuis had meegekregen”, ze in ieder geval trots kon zeggen dat ze tot aan haar schoolleeftijd Limburgs had gesproken en daarna heel snel het Nederlands als tweede taal accentloos had leren spreken. Dus talen kon ze snel leren en dat kwam je als diplomaat wel van pas.

Over de ontwikkeling van de “Donderberg” en het positieve samenleven met de Marokkaanse gemeenschap, zal Petra Stienens volgende boek gaan. Ze wil niet alleen over het Midden Oosten, maar ook over een situatie “dicht bij huis” een ander positief geluid laten horen.

Aansluitend bij haar tweede boek “Het andere Arabische geluid” vertelt ze dat ze hoop put uit de vele bezielde mannen en vrouwen die onder moeilijke en soms levensgevaarlijke omstandigheden voor hun idealen knokken .

Ze noemt de Syrische “Mandela van het Midden Oosten”, Riad Turk, die jarenlang in eenzame opsluiting heeft doorgebracht, evenals zijn vader. Ze noemt Razan Zaitouneh, wier moed in de strijd voor de mensenrechten in Syrië inmiddels beloond is met de “Sacharov-prijs voor vrijheid”. Ze is voor Petra Stienen de Syrische Hannie Schaft. Ze noemt de Egyptische Basma el Husseiny die overal in de Arabische wereld er voor zorgt dat gewone mensen van cultuur kunnen genieten: “Zonder kippenvel door mooie muziek, een schaterlach om een grappig toneelstuk, of verwondering over een gedicht of roman is er geen zuurstof in onze samenleving en stikken we uiteindelijk allemaal.” Stienen noemt nog meer namen. Ze wijst erop dat wij in onze media weinig over hen horen en zien.

Op een vraag of wij wel goed over het Midden Oosten worden voorgelicht ,antwoordt ze dat er goede programma’s zijn zoals van de VPRO ,maar dat je in zes minuten bij Pauw en Witteman zo’n thematiek niet kunt behandelen. Ze wijst naar programma’s op de BBC, met onder andere een praatprogramma waarin Arabische vrouwen aan het woord komen die ook precaire onderwerpen durven aansnijden. Maar nieuws blijft altijd gefragmenteerd. Het is altijd een stukje van een complexe werkelijkheid. Zelfs wil ze via een app nieuwe nieuwsgeluiden laten horen, zie : www.tone-app.nl.

Er wordt in het Midden Oosten om veel zaken gestreden. Er zijn veel “revoluties” gaande op grote en kleine schaal . Er staat nog veel te gebeuren en we moeten nog veel geduld hebben.

Wat de mensen volgens Stienen primair willen, is niet wat wij misschien denken: “democratie”, maar voldoende eten, een goede gezondheidszorg, werk en goed onderwijs. Ze noemen dat “rechtvaardigheid”. Iedereen moet kunnen delen in wat er is en niet alleen een beperkte groep van machthebbers, de Assads en Moubaraks en hun vertrouwelingen.

We hebben ook te maken met aanhangers van een religieuze staat versus de seculiere staat, waarbij met religie ook politiek kan worden bedreven, zoals Saoedie –Arabië dat doet met zijn dollars als smeergeld, en het uiteindelijke doel dat de machthebbers kunnen blijven zitten.

Ook de stemmen tegen cultuurmisstanden worden steeds luider: de ongelijkwaardigheid van vrouwen ten opzichte van mannen, de onvrije en voor vrouwen ook verminkende seksuele moraal en de macht van het patriarchaat ( de onaantastbare rol van de vader en de geestelijke, etc.)

De jongeren eisen steeds vaker hun plaats op (“Jongerenrevolutie”) in een samenleving waar de ouderen nog steeds de posities bezetten. Zij willen ook hun plek om te kunnen werken en een bestaan op te bouwen. Van de 360 miljoen inwoners in het Midden Oosten zijn er 200 miljoen jonger dan 25 jaar.

Stienen pleiten er voor om bij de tegenslagen in wat men in het Midden Oosten nastreeft , niet direct te reageren met: “was alles maar bij het oude gebleven dan was er tenminste stabiliteit”. Er gebeuren immers, ondanks het feit dat er ogenschijnlijk weinig bereikt wordt , ook veel hoopvolle dingen. Er is “het andere Arabische geluid”. Lees haar boek! Er zijn mensen met idealen. Laten we die steunen en contacten met hen onderhouden. Alles heeft tijd nodig. En laten we vooral ook ophouden met etiketjes opplakken in de trant van: Het zijn allemaal Islamieten en Islamieten zijn achterlijk of terroristen of beide. Laten we iedereen op de eerste plaats als mens zien en vervolgens als burger van een bepaald land met wellicht een religie. En natuurlijk zijn terroristen gewoon tuig.

Petra Stienen hield een sprankelende lezing, gedreven door de power van de hoop.

Oek de Jong en Elsbeth Etty

22 Oktober | Literair Café Helmond
Door Martin Thijssen

 “Pier en oceaan” en “Wat alleen de roman kan.”

Ze hadden er zin in: de schrijver Oek de Jong en zijn interviewster , de bijzonder hoogleraar literatuurkritiek, Elsbeth Etty. Centraal stonden “Pier en oceaan” en het onlangs verschenen essay “Wat alleen de roman kan”.

Elsbeth Etty stelde de juiste vragen en Oek de Jong bleef vol vuur, verslapte nergens, en gaf zijn geboeid luisterend publiek en passant ook een college over alle aspecten van het schrijversschap, vanaf de eerste inspiratie tot aan het in de markt zetten van het boek en de omgang met de literaire kritiek.

In het begin had De Jong even een moment van nadenken, toen Elsbeth Etty heel dichtbij kwam met haar vraag naar het autobiografische gehalte van “Pier en oceaan”, daarbij suggererend dat De Jong zijn eigen levensverhaal vertelde. De hoofdpersoon Abel Roorda, is immers in hetzelfde jaar als De Jong geboren:1952, aldus Etty. En of zijn moeder ook had moeten trouwen , zoals Dina in het boek, en of zij ook een lesbische relatie achter de rug had? En inderdaad dat klopte met het leven van Oek de Jong’s moeder.

Maar De Jong maakte direct duidelijk dat men zijn roman niet moest uitleggen als zou er een op een relatie zijn met zijn biografie. Wel is het zo dat hij acht jaar geleden aan de roman was begonnen als een Proustiaanse poging om het verleden terug te halen, waarbij hij inderdaad probeerde de feitelijke werkelijkheid zo dicht mogelijk te benaderen, tot dat zijn redacteur zei – wat hij zelf ook al had aangevoeld – dat hij het feitelijk biografische los moest laten, omdat hem dat teveel beperkte.

“En inderdaad”, zei De Jong, “als schrijver kom je via beelden die vanuit je onderbewustzijn naar boven komen en waarmee je aan de slag gaat, veel dichter bij de werkelijkheid, en wel bij de “echte werkelijkheid”, dan via een precieze beschrijving van feitelijkheden. Hij heeft toen het roer radicaal omgegooid.

De Jong werkt dan ook voornamelijk intuïtief, niet met uitgewerkte schema’s. Hij heeft wel globaal een lijn in zijn hoofd, maar alles kan veranderden vanaf het moment dat hij aan de slag gaat.

Het is voor hem heerlijk om ’s morgens aan tafel te gaan zitten en te weten dat hij ’s middags iets op papier heeft gezet, waarvan hij toen hij begon geen weet had. “Al schrijvende zet je onbekende bewustzijnslagen aan het werk. Je haalt iets naar boven. Beelden.En dat moet je laten gebeuren.”

De roman “Pier en oceaan” geeft een tijdsbeeld van de periode vanaf de Tweede- Wereld-oorlog tot aan 1971. Maar er wordt nauwelijks naar het grote wereldgebeuren verwezen. Er zijn enkele ijkpunten, zoals de stormramp, de moord op Kennedy ,maar verder is getracht om via welgekozen details de tijd te doen herleven. Een zo’n detail is het inmiddels overal besproken moment dat de tweeëndertigjarige Dina al haar tanden laat trekken, omdat de tandarts heeft gezegd dat ze dan ze voor altijd van alle narigheid af is en dat het kunstgebit de toekomst is. Uitermate schrijnend, en des te vernederend voor deze vrouw, omdat haar broer haar daarmee belachelijk maakt. Maar het was kenmerkend voor het “vooruitgangsgeloof”van de tijd rond 1950.

Plaats van handeling van de roman is Friesland en vooral het Zeeuwse Zuid- Beveland, het land waarvan De Jong met prachtige natuursfeerbeelden een schets geeft. De titel van het boek stamt van het beroemde zeezicht-schilderij van Mondriaan uit zijn Domburgse tijd.

Op de vraag van Elsbeth Etty in hoeverre De Jong met zijn roman in de traditie staat van de negentiende-eeuwse naturalistische familieroman, antwoordt hij dat de roman weliswaar bij dit genre aansluit ,maar in die tijd nooit zo geschreven zou kunnen zijn. De beschrijving tot in de intiemste details van wat de personages in hun relaties als man en vrouw en als ouder en kind, denken en voelen, en ook hun handelen , is echt iets van deze tijd, een tijd die met de psychologie vertrouwd is. Ook Vestdijk, toch zoveel later, zou zoiets in zijn Anton-Wachter-romans nooit hebben kunnen schrijven: “Denk daarbij ook eens aan ongemakkelijke intieme relatie tussen Abel Roorda en zijn moeder Dina.”

Op de vraag van Etty, “wat de roman alleen kan”, antwoordt De Jong dat de lezer door de romantechniek van “de monoloque interieur” direct de gedachten van de personages kan volgen en met hen kan meedenken en meevoelen en het met hen eens of oneens kan zijn. Dit is iets wat beelden niet kunnen.

Hierbij aansluitend vertelt de Jong dat hij via zijn personages ook altijd op zoektocht gaat met de lezer. Het is een existentiële zoektocht met voor hem toch altijd een wil tot leven als afsluiting. Hij wil zijn romans niet in mineur eindigen.

Het was dan ook een verrassende klap voor hem om te horen dat sommige lezers het einde van “Pier en oceaan” als een zelfmoord interpreteerden. Dit einde is volgens De Jong juist: “Ik worstel en ik kom boven”.

Op een vraag uit de zaal of de roman niet korter had gekund, reageert De Jong dat hij zijn roman ondanks de omvang van 800 pagina’s toch “beknopt” en ook “spannend” vindt. “In elke zin is eindeloos geschrapt. Elke alinea kent een spanningsboog. Op elke pagina gebeurt iets. Er is afwisseling.”

Of hij bang is voor de literaire kritiek? “Iedere schrijver is bang voor kritiek.” Hij was zelf zielsgelukkig toen zijn eerste criticus van “Pier en oceaan”, Wim Brands, zijn boek goed vond. “Die eerste positieve kritiek is cruciaal. Wanneer een boek na twee weken niets doet is het voorbij. Dan heb je zoals in mijn geval acht jaar voor niets gewerkt.”

Een schitterende avond!

Gerbrand Bakker en Els van de Vorst

15 april | Literair Café Helmond
7 Oktober | Literair Café Helmond
Door Martin Thijssen


“Boven is het stil”

Zijn met literatuurprijzen en nominaties overstelpte boek “Boven is het stil”, is “uit frustratie”ontstaan , bekende Gerbrand Bakker afgelopen dinsdagavond in het Literair Café Helmond. Hij was er samen met Els van de Vorst, de producente van de verfilming van zijn boek. Bakker vertelt dat hij zich tijdens een georganiseerde wandeltocht door Corsica in de groep “niet senang” voelde, eigenlijk doodongelukkig. Het idee kwam toen voor een boek over een “vader- zoon- relatie”, waarin ook “iets ergs gebeurt”..

Met dat idee heeft hij jaren rond gelopen, totdat hij de inmiddels beroemde beginzin uit “Boven is het stil” op papier zette: “Ik heb vader naar boven gedaan.” Binnen zes maanden was het boek af. Die beginzin bevatte voor Bakker de “sfeer”van het boek. Wanneer Bakker de “sfeer” van een boek te pakken heeft, gaat hij “intuïtief” verder zonder uitgewerkt schema. Deze beginzin heeft volgens Bakker zoveel lading dat hij ook de lezer direct pakt. Hij geeft hem het gevoel dat er iets te gebeuren staat. Dit gevoel beoogt Bakker de lezer voortdurend te geven door wat hij zegt, maar vooral ook door wat hij niet zegt.

Zijn ingetogen,“korzelige” stijl heeft hij zich eigen gemaakt als ondertitelaar van films , met name van de serie “The bold and the beautiful”. Met de tijd erbij moest hij voor ondertitels zorgen, en telkens weer schrappen, om de tijdslimiet niet te overschrijden. Hij is wat stijl betreft een groot bewonderaar van Voskuil. Diens boek “Het bureau” blijft hij herlezen.

In “Boven is het stil” worden de ambities van een boerenzoon die Nederlands wil gaan studeren in de knop gebroken, wanneer zijn tweelingbroer, Henk, sterft en zijn vader wil dat hij op de boerderij gaat werken en hem daarmee in een isolement drijft.

Wanneer de zoon inmiddels een vijftiger is, en vader ziek is en zijn einde niet ver meer weg, en de machtsverhoudingen veranderd lijken, ziet de zoon zijn kans.

Uit de korte film “Benali boekt”, die Bakker laat zien, blijkt dat het verlies van zijn verdronken broer een grote impact op hem heeft gehad. In het boek komt zijn broer terug als de tweelingbroer Henk die ook verdrinkt.

Toen het boek klaar was, volgden nog jaren van leuren bij uitgevers. Bakker werd radeloos. Hij is toen een studie hovenier gaan volgen. Uiteindelijk is het boek door Cossee uitgegeven.

Het boek is geen “treurig boek” , zoals de moeder van Bakker wel altijd zegt. Bakker noemt het een “troostrijk boek”: “Het gaat over een zoektocht van een mens naar zichzelf, waarbij hij zichzelf eindelijk leert kennen.” De hoofdpersoon constateert dan dat hij “alleen”is. “Ik ben ook alleen “, aldus Bakker.

Kort voordat het boek verscheen heeft Bakker het laatste hoofdstuk nog toegevoegd, juist om het troostrijke te benadrukken. Eerder had hij op verzoek van de uitgever een in zijn sobere boek niet passende scène vol harde seks eruit gehaald. Hij had zelf ook altijd al intuïtief het gevoel gehad dat die niet paste in de sfeer van zijn boek.

“Na de pauze, werd in een tweegesprek tussen Bakker en de filmproducente Els van de Vorst ingegaan op de verfilming van de roman “Boven is het stil”, waarbij duidelijk werd dat film een ander medium is, met beperkingen ten opzichte van een boek. Alles moet in anderhalf uur verteld worden. De zogenaamde “verledenlijn”- wat vroeger is gebeurd - is bijna helemaal uit de film gehaald, dat zou te veel flashbacks betekenen en de regisseuse Anouk Leopold heeft gekozen voor een film die speelt “in het nu”, aldus Els van de Vorst, die ook Bakkers roman “De omweg” gaat verfilmen. De film “Boven is het stil” evenaart volgens Bakker met zijn troostrijke en ontroerende sfeer het boek. Het decor is wellicht iets rauwer. Bakker is tevreden, hij heeft zelf ook een rolletje van enkele seconden. De dragende rol heeft Jeroen Willems, die tragisch tijdens de productiefase is overleden.

Bakker is op dit moment niet bewust met een nieuw boek bezig: “Misschien is mijn oeuvre wel af.”

Een afwisselende, minder strak geregisseerde avond, waarbij zowel het medium boek als film aan bod kwamen. En wat volstrekt nieuw was: een hond op het podium, Bakkers zwerfhond, die hij pas heeft en die hij daarom niet alleen wilde laten.

Frits van Oostrom

25 september | Literair Café Helmond
Door Martin Thijssen

"De moderniteit van de veertiende eeuw."

Frits van Oostrom, Nederlands topliteratuurwetenschapper, was als gast voor de eerste avond van het vierentwintigste seizoen van het Literair Café Helmond uitgenodigd om te spreken over zijn jongste boek “Wereld in Woorden”.

Anderhalf uur boeide hij zijn gehoor met een erudiete inleiding over de veertiende-eeuwse Nederlandse literatuur.

Deze eeuw met veel natuurrampen, pestepidemieën, oorlogen, etc., was volgens Van Oostrom verrassend tolerant in geloofszaken, zeer kennisbewust, en ook creatief, wat in de grote tekstvariatie tot uiting komt. Destructie en onheil bieden blijkbaar ook kansen.

De tolerantie in geloofszaken zien we bijvoorbeeld in het verslag van Mandeville over zijn reis naar het Heilige Land, wanneer hij over zijn contact met de Islam schrijft “dat god ook andere dienaren heeft dan die van het christelijke geloof”, terwijl een Jacob Van Maerlant nog alles uit de kast haalde om Mohammed te demoniseren.

In het reisverslag van Mandeville valt ook op dat de wereld er voor hem is om te verkennen. Hij heeft een “open mind”.

Kennis en kunde over vroeger en nu gaat men in de veertiende eeuw steeds meer vastleggen in kronieken, encyclopedieën en handboeken.

Van Oostrom citeert ook nog een anonieme tekst die laat zien dat er binnen de katholieke kerk al voor de Reformatie mensen waren die heel anders dachten: “Je hoeft niet naar de kerk te gaan, je kunt God ook in je bed aanbidden.” En: “Priesters moeten niet doen alsof ze alles weten, jouw mening als leek is evenveel waard.” En: “De paus is weliswaar God op aarde, maar hij heeft de mensen niet gemaakt.”

De stad was in de veertiende eeuw, en is ook nu nog de plek waar het allemaal gebeurt, aldus Van Oostrom in navolging van de Amerikaan Edward Glaeser (“Triumph of the city”). Mensen samen in een stad levert meer op voor geluk, werk en creativiteit dan wat de mens alleen buiten de stad bereikt. Brugge was in de veertiende eeuw zo’n stad van geluk, werk en creativiteit. De stad Brugge laat volgens van Van Oostrom – wijzend naar de actuele discussie – ook zien dat economisch belang en cultuur goed samengaan en geen losstaande belangen of zelfs tegenstrijdige belangen zijn, want beide ‘belangen’ vragen om creativiteit en kunnen elkaar versterken. Brugge behoorde toentertijd zowel in economisch als cultureel opzicht tot de vijf belangrijkste steden van Europa..

Hier in Brugge is het fameuze “Gruuthuse handschrift” ontstaan, “een ware goudmijn” aan tekstsoorten over vele facetten van het mensenleven. Het handschrift is in 2007, nog steeds tot groot verdriet van de Belgen, door de Nederlandse Koninklijke Bibliotheek uit België weggekocht. Hierin staat het ook voor ons “moderne mensen” nog steeds ontroerende “Egidius waer bist tu bleven, mi lanct na di, gheselle min.”

Van Oostrom wijst, uitgaande van de emotie van het Egidiuslied, ook op “de moderne psychologische diepte” van het veertiende-eeuwse verhaal van “Beatrijs”, de non , die om haar geliefde te volgen het klooster verlaat en daarna berouwvol terugkeert en niet gemist is ,omdat Maria haar plaats heeft ingenomen.

Tot slot vergelijkt Van Oostrom de hedendaagse “Occupy –Beweging” met zijn strijd tegen hebzucht en ongelijkheid met de veertiende-eeuwse beweging van de “Moderne Devotie” van Geert Groote die zijn miljonairszoonsleventje opgaf en haveloos gekleed, met kap op en halfverrotte haring en erwten etend, de mensen opriep tot soberheid. Maar net als nu bij de “Ocuppy-Beweging” waren er toen ook mensen waren die tegen deze soberheidsbeweging waren en Geert Groote en zijn aanhangers toeriepen: “Laat ons zalig naar de hel gaan”.

Zijn boek “Wereld in woorden” ziet Van Oostrom als de afsluiting van zijn oeuvre in het Nederlands. Hij gaat nu een Engels boek maken over zijn vakgebied.

Een uitermate boeiende avond met een topgeleerde.



Lid worden?

Vanaf € 60.- bent u donateur van het Literair Café Helmond. U heeft gratis toegang tot onze 6 literaire avonden en mag bovendien gratis 1 introducé meenemen. Zo bespaart u 50% ! Ook ontvangt u voor elke avond informatie over de schrijver (per email en eventueel per post).

Nieuwe donateurs kunnen zich aanmelden via het aanmeldformulier op deze website of bij het secretariaat:

Wethouder van Wellaan 142
5703 CN Helmond
Tel. 0492 532496

Losse kaartjes kosten € 10,00 (tot 18 jaar € 5,00)
Kaarten zijn alleen aan de zaal verkrijgbaar.
Reservering van plaatsen is niet mogelijk.