Zeven topauteurs van literaire non-fictie

20 april | Literair Café Helmond

Door Martin Thijssen | Bekijk de foto's

Een grandioze literaire avond met verhalen van zeven topauteurs van literaire non- fictie. Een unieke avond voor ruim zeshonderd bezoekers. Een avond waarover je later enthousiast zegt: “Ik was er ook bij, en ik heb genoten.” De auteurs waren: Jan Brokken, Jutta Chorus, Lieve Joris, Judith Koelemeijer, Geert Mak, Frank Westerman en Annejet van der Zijl. Ze vormen een eetclub die een paar keer per jaar bijeenkomt om van gedachten te wisselen en steun bij elkaar te zoeken. Ze treden nooit gezamenlijk op, maar waren nu wel in Helmond ter gelegenheid van het afscheid van Olga Ferwerda en Marije Goris, de twee gedreven bestuursleden van het Literair Café waarvoor zij 26 jaar het programma hebben verzorgd en daarmee in Helmond de literatuur op de cultuurkaart hebben gezet. Daarnaast hebben zij het initiatief genomen voor de literatuurprijs van de stad Helmond, de literaire route en de literaire filmclub.

Verhalen en romans schrijven is iets anders dan kunnen vertellen. Maar deze auteurs konden dat ieder op zijn of haar manier: serieus en met humor, sereen en de zaal meenemend in een prachtige voordracht. Er was geen thema afgesproken. Ieder mocht een door een zandloper bepaalde tijd vullen.

Jan Brokken
Jan Brokken vertelt hoe hij bij toeval naar aanleiding van een verhaal uit zijn boek “Baltische zielen” op brieven van Dostojewski stuit, wat de stof biedt voor zijn pas uitgekomen boek “ De Kozakkentuin”. Een boek over de ontroerende vriendschap tussen Dostojewski en baron von Wrangel. Jan Brokken is een echte voordrachtskunstenaar. Hij leest voor en je waant je allengs in het Rusland van de 19de eeuw. Hij benadrukte ook hoezeer de schrijver het contact met zijn publiek nodig heeft. “Lezingen geven is niet saai, maar boeiend.”

Jutta Chorus
Jutta Chorus (“Beatrix, dwars door alle weerstand heen”) is nu samen met Bas Blokker bezig met een boek over Prins Claus. De man die zich “in een gouden kooi” waande en zijn vrouw voor zijn verloving hoorde zeggen: “Als ik moet kiezen tussen plicht en mijn verlangens dan kies ik voor de plicht.” Zij zou het serieuzer aanpakken. Aangrijpend vertelt Jutta Chorus over de jeugd van Claus en zijn huwelijk met Beatrix. Een boek waarnaar je uitziet.

Lieve Joris
Lieve Joris vertelt over een ervaring in de Kongo (“Dans van de luipaard”), waar ze probeert haar bij een vriend achtergelaten spullen in een door oorlog en plundering geteisterd gebied terug te halen. Ze merkt dan dat, daar waar het op overleven aankomt, normen en waarden gaan verschuiven en er beroep wordt gedaan andere zaken dat in het dagelijkse leven hier: instinct, improviseren, doorzettingsvermogen. 
Diepe indruk maakt haar verhaal van haar Syrische vriendin Hala, die ze destijds in Damascus (“De poorten van Damascus”) nog onder Assad senior heeft leren kennen en wier man als politieke gevangene was vastgezet. Haar vriendin woont inmiddels – gevlucht – in Dubai. Een weerzien na jaren met haar wordt een teleurstelling: “Veertien dagen kibbelen.” Ze merkt hoe zeer je blik bepaald wordt door de culturele context waarin je verkeert. En dat die verschillen soms onoverbrugbaar zijn, en dat het niet vanzelfsprekend is dat de ander, ondanks de ellende waarin wij denken dat ze leven, zo maar voor ons “Westerse leven” kiezen. Ze vraagt zich zelfs af of haar vriendschap met Hala misschien niet teneinde is.

Frank Westerman
Frank Westerman vertelt naar aanleiding van zijn pas verschenen boek “Een woord, een woord” over zijn jeugdervaringen uit zijn Assense tijd met de treinkaping en de schoolbezetting in Bovensmilde door de Molukkers. Hij zat toen op school en hoorde van het hoofd van de school, mijnheer Tops, dat de kwekeling die de les zou komen geven, op dat moment in de stilstaande trein zat, en wel  als Molukse treinkaper. Hij zou  later ook een gegijzelde neerschieten.Westerman filosofeert over wat woorden kunnen uitrichten tegen geweld. Hij doet dit naar aanleiding van een van de Molukse kapers, en gewezen moordenaar, die nu dichter is. Dat intrigeert hem en heeft hem op zoektocht gezet naar de kracht en onmacht van woorden bij geweld.

Judith Koelemeijer
Judith Koelemeijer is met een boek over Etty Hillesum bezig. Ze heeft het geluk gehad (“cadeau”) met een vrouw (1918) in contact te komen - uitsluitend via e-mail- die Etty Hillesum nog heeft gekend. Ze wilde weten hoe haar stem klonk: “Schel en hoog.” Zo zie je hoe je als schrijver soms aan je verhalen komt. “We moeten er op wachten.” Je kunt ze niet afdwingen. Ze vertelt dat mensen altijd proberen van hun leven een voor hun gevoel passend verhaal te maken. In haar recentelijke boek “Hemelvaart” laat ze zien hoe een bepaalde gebeurtenis verschillende verhaalversies kan opleveren. Ze vertelt hierin over het verlies van een jeugdvriendin tijdens een vakantie na een nachtje stappen in Griekenland. Wat is er destijds nu echt gebeurd? Dat wil ze na zoveel jaren weten. Ieder van de betrokkenen heeft een andere versie.

Geert Mak
Geert Mak had na zijn vele reizen “behoefte aan een huis”. Hij is in de geschiedenis gedoken van de familie Six, waarvan het woonhuis in Amsterdam één brok historie is, en waar je als het ware de stemmen van de opvolgende familieleden op elke plek nog kunt horen. Hij begint zijn pakkende verhaal met het schilderij dat Rembrandt van de eerste Jan Six maakte en karakteriseert Rembrandt naar aanleiding van dit portret als de schilder die empathie toont voor Six, maar met wie Six nooit echt bevriend is geraakt, wat volgens Mak alles te maken had met het onaangename karakter van de schilder: “een zeikerd”, die je ook probeerde te bedonderen, waar hij kon. Mak vertelt dat ook bij zo’n historisch  boek  de actualiteit je telkens weer weet te vinden. Zo treffen we de huidige “management- en graaicultuur” ook al bij een van de  Six-en  aan. Zijn boek verschijnt in het najaar.

Annejet van der Zijl
Annejet van der Zijl vertelt hoe ze vroeger droomde van een “meeslepend leven” en dat aanvankelijk als journaliste geprobeerde te hebben. Maar daar was ze niet hard genoeg voor. Een gesprek met Remco Campert naar aanleiding van diens vertoeven in het legendarische, Jagtlust- gezelschap (Zie haar boek “Jagtlust”) bracht een ommekeer. Ze vroeg hem waarom hij zijn “meeslepende” Jagtlust-leven had opgegeven? Zijn antwoord was: “Om te kunnen schrijven.” Schrijven wilde ze ook, en door haar boeken had ze haar eigen “meeslepende leven”, zoals recentelijk bij het schrijven van “De Amerikaanse prinses”. Maar bekendheid maakt ook “allenig”. Ze vertelde het Geert Mak, die haar introduceerde bij de eetclub. Toen ze vorig jaar in het Literair Café hoorde dat Olga Ferwerda en Marije Goris dit jaar afscheid namen, en Olga het idee opperde om met de hele, eigenlijk “geheime”, eetclub naar Helmond te komen, zette zij zich daar spontaan voor in.

Een indrukwekkende avond, die met een ovationeel applaus eindigde. Een waardig afscheid voor Olga en Marije, die opgevolgd worden door Ria Saanen en Linda Modderkolk

Martin Thijssen


Het hedendaagse Duitsland

16 maart | Literair Café Helmond

Door Martin Thijssen | Bekijk de foto's

“Duitsers blijken veel aardiger te zijn dan ik altijd heb gedacht en de oorlog kom je in Duitsland nog elke dag tegen”, aldus oud-NOS-correspondent, Margriet Brandsma, hoofdgast op de literaire avond over Duitsland. Ze verwoordt daarmee tevens het algemeen gevoelen van zes door haar geïnterviewde Nederlandse Duitsland-correspondenten. Deze interviews zijn gebundeld in haar recent verschenen boek “Was wir noch zu sagen hätten”.

Brandsma kan vertellen en weet een zaal met bijna vijfhonderd bezoekers ademloos bij haar lezing te houden. Ze krijgt het woord nadat stadsschrijver Tania Heimans de Helmondse kinderboekenschrijfster,To Hölscher (1898-1953), weer even op amusante wijze aan een mogelijke vergetelheid heeft ontrukt.

Lees het verhaal van Stadsschrijver Tania Heimans.

Duitsland, vanwege de oorlog lang door Nederlanders gemeden, wordt nu algemeen gezien als voorbeeldland. Het is het land dat de crises goed doorstaan heeft en leidend is in Europa, mede dank zij Angela Merkel. Het is ook het land dat zijn verleden niet vergeet en eigenlijk dagelijks nog met de verwerking ervan bezig is. Die verwerking is vooral op gang gekomen na de televisieserie “Holocaust” 1978 . Kinderen gingen bij het zien van de indringende beelden hun ouders vragen: “Waar waren jullie toen?”, “Wat hebben jullie gedaan?”

Aan de fundamentele debatten over het verleden heeft het openbare debat in Duitsland een moraliserend tintje overgehouden, zoals onlangs bleek naar aanleiding van de gebeurtenissen in Keulen tijdens oudjaar. Men is o, zo bang, niet politiek correct over te komen. Ook het tot stand komen van het gigantische gedenkteken (Mahnmal) in Berlijn , bestaande uit ruim 2700 blokken beton, heeft veel destijds weer veel discussie losgemaakt, vooral toen bleek dat de verf die het beton tegen graffiti moest beschermen van een fabriek kwam die in de oorlog voor het vernietigingsgas had gezorgd. Het monument moest weg. De Joodse gemeenschap is toen ingesprongen en heeft duidelijk gemaakt dat men de Duitse infrastructuur en alle grote bedrijven wel kon ontmantelen, want de spoorwegen hadden de joden vervoerd en Krupp had voor zware wapens gezorgd, etc. Dit alles blijft een onderdeel van de Duitse geschiedenis. Brandsma gaat uitvoerig in op de val van de muur in 1989. De hereniging werd toen onder andere in Nederland nog als een bedreiging gezien, wat tot een gespannen relatie leidde tussen de toenmalige ministerpresident Lubbers en bondskanselier Helmuth Kohl. Brandsma: “De verstandhouding tussen Merkel en Rutte , hoewel beiden van verschillende politieke partijen zijn, is volgens insiders uitstekend.”

Voor een stad als Berlijn betekende de eenwording een gigantische verandering. Beide delen - West en Oost - hadden voordelen van hun aparte status gehad. Die vielen nu weg. Bovendien was er veel dubbel en dus te veel: vliegvelden, stations, overheidsgebouwen, culturele inrichtingen, etc. Maar voor heel Oost-Duitsland gold dat men het gevoel had geannexeerd te worden. West-Duitsland werd het Oosten opgedrongen. De Ossies golden als tweederangs, terwijl zij altijd gehoord hadden dat het fascisme in de DDR was uitgeroeid en dat in het Westen nog steeds de Nazi’s aan de macht waren. Daarbij kwam het wegvallen van honderdduizenden arbeidsplaatsen als gevolg van de verouderde industrie, en daar waar arbeidsplaatsen kwamen moest je concurreren met anderen. Het Oosten is conservatiever, meer op zich, en vreest het vreemde , zoals de islamitische vluchtelingen.

Angela Merkel heeft ze binnengehaald met haar “Willkommenspolitik”. Maar kon ze anders? Margriet Brandsma geeft een schets van Merkel. Ze is in de DDR opgegroeid en heeft zich daar van de politiek afzijdig gehouden. Een keer is ze door de Stasi benaderd en heeft toen gezegd dat zij(!) te loslippig was voor dat soort spionagewerk. Merkel heeft altijd een doel voor ogen en werkt daar gestaag naar toe. Dat de vluchtelingen naar Duitsland zouden komen was overduidelijk na de wereldwijd verspreide selfies van Merkel met vluchtelingen. De vraag was alleen: Hoeveel en wanneer? Zij vond dat Duitsland als machtigste land van Europa niet kon weigeren een groot aantal van hen op te nemen. Wat zouden de andere landen anders gezegd hebben? Bovendien zou dat ook indruisen tegen haar geloof dat naastenliefde preekt. Ze heeft het initiatief genomen als leidende politicus. Het is glad ijs, maar zij is nog steeds populair. Politiek heeft ze wel een probleem nu naast de CDU met de rechtse CSU (Beieren) een populistisch rechtse partij is ontstaan (AfD), die vooral ook op aanhang in het conservatievere Oosten kan rekenen. Margriet Brandsma verwacht dat Merkel de klus van het vluchtelingenprobleem zal afmaken.

Duitsland is ook het land van de “Dichter und Denker”. Antoon van Aerle vertelde over zijn leeservaring naar aanleiding van de heruitgave van Bölls “Biljarten om half tien”, en Bert Kuijpers gaf een mooie interpretatie van Rilkes gedicht “Der Panther”. De componist, performer en klankdichter, Horst Rickels, zong met zijn eigen begeleiding liederen van Heine: “Alte Liebe” ,en Hesse: “Königskind”.

Een avond die een boeiend beeld gaf van het hedendaagse Duitsland.

Martin Thijssen


Afscheid van de stadsschrijver Abdelkader Benali

27 januari | Literair Café Helmond

Door Martin Thijssen | Bekijk de foto's

Voor een overvolle zaal liet Abdelkader Benali tijdens zijn door hem aangeboden afscheidsavond nog eens zien wat hij in huis heeft. En dat is veel. Caleidoscopisch laat hij Helmond en de Helmonder nog een keer de revue passeren. Het is in proza en poëzie vastgelegd in een prachtig afscheidsboekje met op de cover Benali als hofnar met narrenkap en narrenstok. 

Ontwerp: Deamer Media Design

Inderdaad met ernst en luim heeft hij de stad de narrenspiegel voorgehouden, zich niet laten inkapselen en eigengereide keuzes gemaakt en die eigenzinnig verwoord.

Een jaar lang heeft hij in een “lat-relatie” met reizen tussen Amsterdam en Helmond de stad en de mensen leren kennen. De stad waar als in geen enkele andere “etenstijd ook echt etenstijd is”, zo zei hij het in een laatste karakterisering, die ik nog nooit had gehoord,  ook niet van Wim Daniels. 
Helmond is voor hem ook de stad van de vroegere industriëlen met borrel en sigaar en de stad van de hard werkende mensen van ruwe bolster en blanke pit, maar Benali laat ook andere dingen zien en die staan ook in zijn afscheidsboekje. Mooie onbekende kanten, waarvan je merkt dat ze zijn liefde hebben. Op het podium van zijn afscheidsavond heeft hij daarvoor ruimte gemaakt. 

 

Zo nodigt hij de veertienjarige Marokkaanse Romaisa uit, het meisje dat hij in het gemeenschapshuis De Fonkel heeft horen zingen. Met haar mobieltje als begeleiding in haar hand zingt ze, ingetogen en ontroerend mooi, een waarschijnlijk religieus lied. Je merkt Benali’s betrokkenheid. 
En dat geldt ook voor Hans van Bragt, de chocolatier uit de Cacaofabriek die zijn bonbons lief heeft als een vrouw en ze als zodanig prijst. In het gesprek met hem haalt Benali de historie van De Cacaofabriek naar boven en laat hij hem vertellen over de exotische chocoladesmaak van de Helmonder, waarna van Bragt zegt dat hij voor de meer dan vijfhonderd bezoekers drie smaken bonbons heeft klaargezet. Het water loopt je uit de mond. En “bij  vijftien bonbons per dag , blijf je ook nog slank”, aldus Hans van Bragt. 
Na de kunst van de chocolatier komt Elvira Wersche ,de zandkunstenares, aan het woord. Benali heeft haar zandmozaïeken in de Cacaofabriek gezien en was ondersteboven. Herinneringen aan zijn jeugd in Marokko komen naar boven: het lijnenspel en de kleuren van de mozaïek- kunst daar. Elvira vertelt over haar fascinatie voor zand.  Duizenden zakjes heeft ze uit alle landen. In het mozaïek dat ze voor deze avond gemaakt heeft, is “politiek zand” uit Syrië verwerkt. Zand dat ze nu niet meer aan kan. 

De nieuwe stadsschrijver is de geprezen Helmondse auteur: Tania Heimans. Wethouder Stienen maakt haar naam  bekend en vertelt van zijn worsteling tussen een stadskunstenaar ( dus geen schrijver) van buiten en een stadsschrijver van binnen. Maar gezien de ambitie van Tania Heimans - mensen uit de wijken zelf ook hun verhalen laten schrijven en helpen schrijven - is hij overstag gegaan. Tania Heimans wordt met een warm applaus ontvangen. Wethouder Stienen houdt op deze voorleesdag ook nog een warm pleidooi voor voorlezen door ouders.

Na de pauze brengt Benali het muziektheaterstuk “Brief aan mijn dochter”, geschreven naar aanleiding van de geboorte van zijn dochter. Hij doet dat samen met de bekende harpiste Lavinia Meijer en voor de percussie Christiaan Saris. Abdelkader leest de teksten. Het stuk gaat over liefde en geboorte, over liefhebben en verlaten, waarin persoonlijke ervaringen van Abdelkader Benali en Lavinia Meijer verwerkt zijn. Mooi en ingetogen, ontroerend en heavy, met meeslepend harpspel van Lavinia Meijer en perfect ondersteunde percussie van Christaan Saris. De zaal wordt er op momenten doodstil van.

En dan als ontlading een performance-achtige afsluiting van de avond waarbij Abdelkader Benali en Tania Heimans al dansend het zandmozaïek vertrappen en bezoekers het zand verzamelen, al dan niet genietend van de heerlijke bonbons van Hans van Bragt.

Ook dit was Helmond. Helmond uit een heel andere invalshoek, de Benali-hoek. Een mooie hoek. Het was een eer Benali in Helmond te hebben. Tania Heimans heeft er als opvolgende stadsschrijver zin in. Op facebook neemt ze het stokje over van Benali. Het boekje “Benali in Helmond” is voor 6,50 euro bij de boekhandels in Helmond te koop en voor 10,00 euro (incl. verzendkosten) via Bol.com!

Een prachtige avond.

Martin Thijssen


Leo en Tineke Vroman door Mirjam van Hengel en Jetske Spanjer

17 november | Literair Café Helmond

Door Martin Thijssen | Bekijk de foto's

“Geweldig zo’n volle zaal , meer dan 500 bezoekers , dat maak ik zelden mee”, roept Mirjam van Hengel uit, auteur van het veel geprezen boek “Hoe mooi alles” (Querido), een relaas over de bijzondere liefde tussen Leo Vroman (1915- 2014) en zijn “meisje” en latere vrouw Tineke Vroman. Op een vraag, later op de avond, wat Vroman zelf zou vinden van de aandacht voor hem, antwoordt Van Hengel: “Hij zou dat geweldig vinden.” Ze vertelt dat hij lovende aandacht nodig had. Toen Koolhaas een keer een minder prijzende recensie had geschreven, heeft hij vijf jaar niet meer gedicht. Mirjam van Hengel steekt van wal met een mooi verteld verhaal over een van de grote dichters van ons land en de schepper van de beroemde versregels uit het gedicht “Vrede”:

“Kom vanavond met verhalen 
Hoe de oorlog is verdwenen
En herhaal ze honderd malen
Alle malen zal ik wenen.”

Leo Vroman, komende uit een streng Joods intellectueel gezin in Gouda, met dwingende eisen ten aanzien van de carrière van hun kinderen, gaat in Utrecht biologie studeren. Hier leert hij Tineke kennen, die vanuit Nederlands Indië is gekomen om medicijnen te studeren. Nederland was voor haar moeder ook een mogelijkheid om aan het slechte huwelijk te ontsnappen. Vader blijft in Indië. Voor Leo was het met Tineke direct liefde op het eerste gezicht. Zij ziet hem aanvankelijk als een ouwelijke, niet knappe student (grote Joodse neus), maar ze kan met hem praten en hij heeft humor. Op een zeker moment stelt ze zich voor hoe hij ’s ochtends met nog verwarde haren aan het ontbijt zit, en ze weet dan dat hij haar man zal worden. In 1938 volgt de verloving.

Mirjam van Hengel was bij Querido Vromans redacteur. Ze gaat in op een uitnodiging om naar Forth Worth in Texas te komen waar Leo en Tineke wonen. (Vanaf 1947 wonen de Vromans in de VS.) Inmiddels op hoge leeftijd, ziet ze de twee naast elkaar op de bank zitten. Hij steeds weer grapjes makend en haar liefdevol strelend. Over hun bijzondere liefde besluit Van Hengel te gaan schrijven aan de hand van gesprekken, dagboeken en brieven. Die brieven (honderden) krijgt ze eerst niet. Vroman: Het zijn “schunnige brieven”; “paren op papier”. En dan mag ze de brieven toch lezen, allemaal. En inderdaad daarin blijft niets onbenoemd. Wat ze voelen, denken en fantaseren ten aanzien van liefde en seks is een open boek. Van Hengel gaat er in haar boek prudent mee om.

Uit de brieven leest ze voor en ze geeft als commentaar: “Soms B-film- achtig, met violen die je hoort zingen.” Je hoort in de voorgelezen passages ook de Vroman-achtige, abrupte stijlverschuivingen, kenmerkend ook voor zijn gedichten. Soortgelijke ,onverwachte, soms onzinnig aandoende wendingen gebruikt Vroman zo nu en dan ook bij het beantwoorden van door Van Hengel gestelde interviewvragen: Omdat ze hem niet passen? Of: gewoon als humor, om de serieusheid te relativeren? Wanneer Van Hengel hem een keer vraagt of hij gedichten van buiten kent, antwoordt hij ontkennend. En als ze dan, om hem op weg te helpen, citeert uit zijn bekendste gedicht “Vrede”: “Alle malen zal ik wenen”, gaat hij lachend verder: “En er toch helemaal niets van menen.” Hem interviewen was niet altijd gemakkelijk. Hij kon ook dichtslaan. Dat blijkt, wanneer ze het met hem over het einde van de oorlogstijd heeft.

Vroman neemt in 1940 als Jood het besluit om te vluchten. Tineke wil mee, maar mag van haar ouders niet. Met de laatste gelegenheid vertrekt hij met de boot naar Engeland en gaat vervolgens naar Nederlands Indië en komt in vijf Jappenkampen terecht, eerst in Indië en later in Japan.

Het zijn voor beiden jaren van grote onzekerheid. De een weet niet van de ander of hij of zij nog leeft. Met behulp foto’s van Tineke (wat achteraf niet blijkt te kloppen) en zijn dagboeken waarin hij schrijft over zijn gevoelens voor Tineke en over zijn kampervaringen, (geïllustreerd met tekeningen), slaat hij zich er doorheen. Tineke blijft hem al die jaren trouw, ook zij legt haar gevoelens vast in haar dagboeken.

Na de oorlog lukt het Vroman om onder de dienstplicht in Indië uit te komen. Hij gaat naar de VS en keert niet eerst terug naar Nederland , naar zijn Tineke. Hij schrijft haar: “Groot nieuws, ik kom niet naar Nederland.” Tineke accepteert dat, maakt eerst haar studie af en dan in 1947 trouwen ze in de VS en blijven daar: hij als wetenschapper, dichter en tekenaar, zij als onderzoekster.

EVroman is zich over zijn besluit van destijds om zonder enig overleg met Tineke niet eerst naar Nederland te gaan, schuldig blijven voelen. Hij klapt dicht als Mirjam van Hengel hem hierover vragen stelt. Hij vertelt wel over nachtmerries waarin hij tevergeefs op zoek gaat naar Tineke en haar niet kan bereiken.

Uit zijn gedichten heeft Mirjam van Hengel een keuze gemaakt in “Alle malen zal ik wenen” (Querido). Vroman zelf wilde altijd alles uitgeven, omdat het allemaal een deel van zijn persoon was, zowel het goede en het minder goede. Met de ondertitel “Het mooiste van Leo Vroman”, zou hij het dus “hartgrondig” oneens zijn, aldus Van Hengel. Vromans poëzie is volgens haar: “autobiografie” . Hij noemt zijn eigen naam en die van zijn geliefde Tineke dan ook veelvuldig en schrijft “grotendeels direct vanuit en over zichzelf”.

De documentairemaakster Jetske Spanjer komt na de pauze aan het woord. Ze laat aan de hand van fragmenten uit een door haar gemaakte film over Vroman zien hoe hij tekent en dicht en ook als wetenschapper werkzaam is. Maar ze heeft hem ook ervaren als een uiterst beminnelijk en attent iemand. We zien ook Vromans laatste beelden, wanneer hij skypend gedichten voorleest voor Poetry International en nog steeds prachtig, accentvrij Nederlands spreekt. We zien Tineke en hem naast elkaar op de bank zitten, zoals vroeger, aandoenlijk mooi.

Reacties: “Een prachtige, informatieve avond over een van onze grote dichters”; “Een avond “die uitnodigt om het werk van een van onze grote dichters te gaan lezen of weer eens te herlezen. “, en ook: “Hoe mooi kan liefde zijn!”

Martin Thijssen


Griet Op de Beeck, Nina Weijers en Elsbeth Etty (interviewster)

20 oktober | Literair Café Helmond

Door Martin Thijssen | Bekijk de foto's

“Dit is een bijzondere avond”, opent de voorzitter: “Twee topschrijvers: Griet Op de Beeck (1973) met haar veel geprezen tweede roman ‘Kom hier dat ik u kus’, en Nina Weijers (1987) met een alom bejubeld debuut ‘De consequenties’, en als interviewster, Elsbeth Etty, bijzonder hoogleraar Literaire Kritiek.” Het werd inderdaad een boeiende avond voor weer ruim 500 bezoekers, waarbij Elsbeth Etty het gesprek voortreffelijk leidde, zodat beide schrijfsters tot hun recht kwamen.

Je eerste boek en dan een uitgever zoeken. Griet op de Beeck zegt dat ze pas na 10 jaar als dramaturg werkzaam te zijn geweest, de durf bezat om een boek te schrijven en uit te laten geven. Voor haar gevoel had ze met haar eerste boek “Vele hemels boven de zevende” iets goeds gemaakt. Ze koos twee uitgevers en die lieten binnen een dag weten dat ze beiden het boek wilden. “Dus geen leuren langs 37 uitgeverijen “. Bij Nina Weijers ging het anders. Ze kreeg na een gewonnen schrijfwedstrijd een contract aangeboden en moest toen direct aan de slag.

Het grote succes van hun eerste boek overweldigden beiden. Succes betekent echter ook dat je verwachtingen schept. Je wilt voor je zelf iets nieuws, niet in herhalingen vallen: “Niet weer zo’n Weijers-achtig zinnetje”.

Een boek dat uitgegeven is, geeft je ook het gevoel dat iets dat van jou was, nu van iedereen is. Je komt dan pas goed tot de ontdekking wat er allemaal in je boek zit. Als je schrijft krijg je wel langzaamaan een idee van de essentie, maar lezers en critici zien toch ook weer andere zaken.

Beiden werken niet aan de hand van uitgebreide vooraf-schema’s. Schrijven is voor hen toch vooral een intuïtief proces dat op gang komt achter de schrijftafel. Natuurlijk begin je wel met iets in je hoofd, en al schrijvend denk je ook vooruit. Maar hun boeken zijn geen “invuloefeningen”. Biografische aspecten spelen een rol, maar er is geen sprake van een op een relaties, waarnaar lezers vaak wel “vissen”. En verder geldt: direct schrijven vanuit een heftige beleving moet je nooit doen. Er moet altijd afstand zijn.

Voor Griet Op de Beeck is schrijven een middel tegen “de suffigheid” en “gore ellende” van het leven. “Ze heeft iets met families”, zoals in ‘Kom hier dat ik u kus’, waar iets gebeurt en vervolgens komt alle jarenlang “onder het tapijt” verstopt gebleven ellende te voorschijn. In de “verhevigde vorm”, maar ook met relativerende humor, worden in de fictionele wereld mensenlevens met hun gevoelens van angst, verlangen en hunkering herkenbaar. “Angst moet je in de ogen durven zien”, dat lucht op, aldus Griet Op de Beeck. Ze is tegen escapisme.

Nina Weijers laat in haar debuutroman een jonge kunstenares als experiment de grenzen tussen leven en kunst verkennen, met als uiterste consequentie het opgaan in kunst en dus het “verdwijnen” als kunstobject, dus kunst als dood. Inderdaad het toppunt van “decadentie” beaamt ze, naar aanleiding van de opmerking van Elsbeth Etty hierover. Maar haar boek kent nog talrijke andere invalshoeken en gaat onder andere ook over identiteit en het is ook een satirische benadering van de opgekloptheid van de kunstcommercie.

Schrijven is voor beide auteurs een proces van eenzaamheid, maar ook van vrijheid. Tijdens het schrijven geniet je van de vrijheid die jouw fictieve wereld je biedt. Als het goed gaat geeft dat een vreugdevol gevoel. Ieder is met een volgend, “ander” boek bezig. De boeken van Griet Op De Beeck worden binnenkort verfilmd.

Een uitermate interessante avond met veel dank aan Elsbeth Etty voor de regie.

Martin Thijssen


Adriaan van Dis: “Ik kom terug”

26 september 2015 | Literair Café Helmond
Door Martin Thijssen | Bekijk de foto's

Het is de jubileumavond: 25 jaar Literair Café Helmond. Adriaan van Dis is gast. Zeshonderd bezoekers. Op een keukentafel zittend, gedekt met een Helmondse Vliscoprint – zo wilde van Dis zijn zitplek – vertelt hij het ademloos luisterende publiek de ontstaansgeschiedenis van zijn bekroonde en alom geprezen boek: “Ik kom terug”.

Het is het boek over zijn ongemakkelijke relatie met zijn moeder, die aan haar levenseinde plotseling contact zoekt met haar zoon. Een contact dat de schrijver als mogelijkheid ziet om zijn aftakelende moeder van “haar verhalen te verlossen” en om deze vervolgens met de “fictionele  vrijheid” van een schrijver zo te verwerken dat ze voor hem een moederbeeld opleveren “waarmee hij verder kan leven”. “Fictionaliseren” dus als een middel om te verwerken, en van Dis verwijst naar het motto vooraan in zijn  boek: “All sorrows can be borne if you put them into a story “(Karin Blixen).

Van Dis vertelt het levensverhaal van zijn moeder. Hij lardeert dit met schitterend voorgelezen passages die zijn moeder typeren: een vrouw met een “weg geschroeid gevoelsleven” die haar levenseinde afwacht in een serviceappartement achter “antroposofisch opgekweekte geraniums”, elk contact met buiten mijdend. Maar van Dis typeert daarbij tevens, met Indische tongval sfeer makend, zijn “gekleurde” vader met zijn verhaspelend gebruik van Nederlandse gezegden: “De apen zijn gaar”, en Wie een kuil graaft voor een ander wordt moe.”

Als jong boerenmeisje is zijn moeder met een gekleurde jongen getrouwd die hier in het leger diende. Direct daarna is ze met hem naar het toenmalige Nederlands Indië vertrokken. Een vlucht uit haar bekrompen strenge Waldenzer-milieu. Ze overschrijdt daarmee de landsgrens en de kleurgrens, voor de familie beide fout.

Moeder komt niet in het gedroomde chique Indië- milieu van Couperus terecht, maar ergens achteraf, omdat haar man als kleurling en spreker van de taal daar als “apaiseerder” beter op zijn plek was. De Japanse bezetting komt. Moeder heeft intussen drie donkere meisjes gebaard. Vader trekt zijn soldatenpak uit en duikt onder in het verzet en komt niet meer terug. Hij blijkt later terechtgesteld. Moeder komt in een kamp en gaat na de bevrijding - niet wetend waar haar man is - en hunkerend naar liefde, samen met een nieuwe gekleurde man terug naar Nederland “met onder haar oedeem” het bastaardkind dat Adriaan zal gaan heten en de naam van zijn moeder “Van Dis" krijgt.

Als een rode draad loopt door het verhaal van Van Dis de donkere huidskleur die je van de blanke Europese gemeenschap scheidt: “Meisjes van Batavia zijn zwart”, horen zijn zusjes op straat zingen en ze rennen naar huis. Van Dis wijst ook op het effect dat de Indische gemeenschap – maar dat geldt voor immigranten in het algemeen –   haar verleden gaat koesteren en verheerlijken. Men gaat zich ook afzetten. Van Dis beschrijft hoe hij  in het Repatriantenhuis in Bergen aan Zee – door de bevolking de “Blauwen-kolonie” genoemd – het gevoel kreeg dat ze toch uit een verfijndere cultuur kwamen dan de Hollandse kaaskoppen. Zijn moeder bevestigde dat, wanneer er een opmerking door de beheerder wordt gemaakt over de enorme waterverspilling als gevolg van elke dag een bad nemen, wat in de tropen normaal was ,en zijn moeder reageert met: “Jullie , boven blink en onder stink.” Ook zijn, ondanks zijn werkloosheid, altijd piekfijn driedelig geklede vader was zo’n bevestiging. 

Van Dis blijft geïntrigeerd door wat hij de “kleurgrens” noemt. Zo komt hij bij zijn studie Nederlands erachter dat het Afrikaans niet een taal is, afgeleid van het Vlaams of Diets, zoals het Apartheidsregime wilde doen geloven, maar gewoon zijn wortels heeft in Afrikaanse stammentalen. Het Apartheidsregime had om politieke redenen zelfs de taal ontkleurd.  

Over de nu gevoerde Zwarte Pieten- discussie merkt Van Dis op dat het “zwart” van Zwarte Piet zal verdwijnen. Vooral de jonge generaties gaan trots terug naar hun eigen cultuur en geschiedenis . Ze passen zich niet langer aan. Dat kan soms ongenuanceerd hard gaan: “Nederland – Slavenland.”

Wat zijn toekomstige plannen betreft. Van Dis gaat het komende jaar een tijdje in Israël wonen om een documentaire te maken en tevens zijn principes aan de werkelijkheid te toetsen. Theorie en praktijk zijn verschillende zaken.

Een uitermate boeiende avond die eindigt met een luid applaus.
Martin Thijssen

 



Lid worden?

Vanaf € 60.- bent u donateur van het Literair Café Helmond. U heeft gratis toegang tot onze 6 literaire avonden en mag bovendien gratis 1 introducé meenemen. Zo bespaart u 50% ! Ook ontvangt u voor elke avond informatie over de schrijver (per email en eventueel per post).

Nieuwe donateurs kunnen zich aanmelden via het aanmeldformulier op deze website of bij het secretariaat:

Wethouder van Wellaan 142
5703 CN Helmond
Tel. 0492 532496

Losse kaartjes kosten € 10,00 (tot 18 jaar € 5,00)
Kaarten zijn alleen aan de zaal verkrijgbaar.
Reservering van plaatsen is niet mogelijk.