Elisabeth Leijnse

18 april | Literair Café Helmond
Door Martin Thijssen | Bekijk de foto's

“Ongelooflijk zo’n volle zaal, dat heb ik nog nooit meegemaakt”, zegt Elisabeth Leijnse, wanneer ze haar lezing begint over haar met de Libris-geschiedenisprijs bekroonde boek: “Cécile en Elsa , strijdbare freules” (2015). Boeiend vertelt ze de ademloos luisterende zaal over het leven van de twee zussen Cécile en Elsa, de eigenzinnige dochters van het zeer progressieve aristocratengezin De Jong van Beek en Donk. Twee vrouwen die hun tijd vooruit waren en streden voor hun idealen en daarbij conflicten met hun omgeving, maar ook met hun eigen gevoelens en opvattingen niet uit de weg gingen. Ze zochten altijd de “bataille”, aldus Alphons Diepenbrock die later met Elsa zou trouwen

Twee strijdbare freules
De gezusters hadden een missie: het volk naar “het licht” verheffen uit de “modderigheid” van hun bestaan, aldus Leijnse. Leijnse legt uit dat de lichte ,witte cover van het boek met de freules in witte kleding daarom bewust zo is gekozen. Ze dragen bovendien - voor een portretfoto weinig officieel - de sportkleding waarin ze ook de Alpen beklommen en waarin Cécile later ook, lak hebbend aan wat bij de plechtigheid en haar stand passend was, zal trouwen met de steenrijke Haagse projectontwikkelaar Adriaan Goekoop.


Cécile
En ook getrouwd gaat Cécile verder haar eigen gang, in plaats van ondernemersvrouw wordt ze de schrijfster van de succesvolle feministische roman “Hilda van Suylenberg” (1897). De roman werd in een jaar tijd meer verkocht dan alle boeken van Couperus samen. Céline werd ook presidente van de eerste nationale Tentoonstelling van Vrouwenarbeid, met meer dan honderdduizend bezoekers. Als de tentoonstelling sluit, wordt Cécile door haar man - wel medesponsor van de tentoonstelling - het huis uit gestuurd. Ze komt in Frankrijk terecht, hertrouwt en zoekt aansluiting bij het katholieke rechts-radicale politieke milieu. 
Ze sterft wanneer de geallieerden in Normandië landen. Van de bevrijding door de geallieerden verwacht ze de vernietiging van de Franse beschaving: “les misérables ont débarqué!”, waren haar laatste geschreven woorden. Haar vertrek destijds naar Frankrijk en haar politieke opvattingen hebben tot een verwijdering en bittere verwijten geleid tussen de in hun jeugd innig met elkaar verbonden zussen. 

Elsa
Elsa( 1868 -1939) trouwt in tegenstelling tot Cécile  niet met geld , maar met de componist  Alphons Diepenbrock, een katholiek, die  om zijn katholieke  moeder niet te kwetsen het huwelijk negen jaar lang tot aan haar dood niet consumeert om te voorkomen dat er een kind zou komen met een protestantse moeder die zou weigeren het kind katholiek op te voeden. Elsa blijft bij haar man. Ze ziet hem als haar persoonlijk kunstenaarsproject. Ze stimuleert hem waar ze kan en zijn succes als componist heeft hij voor zeker 80% aan Elsa te danken, aldus Leijnse. Een jaar na de dood  van Diepenbrocks moeder komt het eerste kind , en dan  bezwijkt  Diepenbrock tijdelijk voor een jongere vrouw , een bijlesleerling , een “wild veulen””, en Elsa  accepteert dat  en zal later zelf een jaar van liefde beleven met het eigenzinnige, muzikale, visionaire “genie” uit Helmond: Matthijs Vermeulen ( 1888-1967), zoon van een smid, die als twaalfjarige al wist dat hij componist zou worden. Hij was toen Elsa hem haar liefde bekende ook een leerling van Diepenbrock. Voor het eerst beleeft Elsa de liefde ten volle. Een jaar lang. Dat was de afspraak. Decennia later zal Matthijs Vermeulen, nadat zijn vrouw en kind gestorven zijn, met de dochter van Elsa trouwen, nadat hij haar eerst met prachtige hartstochtelijke brieven heeft bestookt en overtuigd.

Een goed, maar ook respectvol boek
Leijnse wilde een “goed, maar ook respectvol boek” schrijven. Twaalf jaar heeft ze eraan gewerkt. Een project dat ontstond terwijl ze bezig was met haar dissertatie en in dat verband bij de componist Alphons Diepenbrock brieven van Elsa tegenkwam. Die leek haar als persoon “eerlijk gezegd” veel boeiender dan Diepenbrock. Via, via komt Leijnse in bezit van brieven, dagboeken en andere vaak zeer intieme documenten over de freules, want Elsa en Cécile blijken een hecht koppel. Heel spectaculair is de vondst van een kist met brieven en dagboeken  in Eyckenlust, het kasteel van de familie de Jong van Beek en Donk. Brieven en dagboeken, heel persoonlijke documenten,  die ze telkens in het bijzijn van een familielid mag bestuderen: dagen, nachten en weekenden bracht ze op het kasteel door. Ze is er de familie enorm dankbaar voor.


Keuzes als biografe
Uitermate boeiend is het hoe Leijnse als biografe keuzes heeft gemaakt bij het beschrijven van deze twee levens, die een onwaarschijnlijk, bijna soapachtige ontwikkeling doormaken. Leijnse vertelt hoe zij ervoor heeft gekozen de lezer bijna “hautnah” bij de bronnen te brengen. Ze moest daarvoor als biografe uit het boek verdwijnen. Dat houdt in dat ze in het boek niet als “storende” alwetende, commentaar leverende verteller voorkomt. De lezer moest direct vanuit de personages hun leven kunnen meebeleven, heel nabij, heel intiem. Ze plaatst het geheel ook historiserend in de tijd. Ze gebruikt geen hedendaagse of toen niet gebruikelijk medische termen om bijvoorbeeld allerlei gemoedstoestanden aan te duiden, maar gewoon de toen gebruikelijke termen  “ziel” en “zenuwen”  die overstuur  of  door de war zijn. Ook de woorden “feministisch” en “socialistisch” gebruikt ze pas, wanneer de begrippen in de tijd gangbaar zijn. Alles dekt ze af met bronnen die de personages ook in een cultuurhistorische context plaatsen. Het boek is daarmee niet alleen een spannende roman, maar ook cultuurhistorisch gezien een uitermate  interessant werk, zoals de  voorzitter van het literair café het in zijn inleiding zei.

Een buitengewoon geslaagde avond waarop een auteur in een meeslepend verhaal ook inzicht geeft in de keuzes die je als biografe maakt om tot een boeiend, goed geschreven en respectvol boek te komen.
Martin Thijssen


Tania Heimans en P.F. Thomése

28 maart | Literair Café Helmond
Door Martin Thijssen | Bekijk de foto's

Een avond met Tania Heimans en P. F. Thomése. Een volle zaal , met weer veel jongeren. Ook een bijzondere avond want Tania Heimans zal als Helmonds stadsschrijver 2016 afscheid nemen. Ze krijgt als eerste de microfoon. Ze vertelt dat ze n.a.v. de vraag om stadsschrijver te worden toch wat bedenktijd had gevraagd en vervolgens was gaan snuffelen in een boek over Helmond. Daarin las ze het verhaal uit de jaren dertig over de slagerszoon en latere leeuwentemmer Stevens uit de Kerkstraat. En dan blijkt er een link met haar pas verschenen boek “Het huis met de leeuwen”, dat gaat over de directeursvrouw van de Diergaarde Rotterdam in de jaren dertig. Ze komt erachter dat de slagerszoon Stevens destijds van deze directeursvrouw zijn eerste leeuwtje heeft gekocht. Toen besloot ze het stadsschrijverschap aan te nemen.

Helmond is als een stoer wijf
Dit verhaal moest ze vertellen, maar ook al die andere verhalen, vooral nadat een nazaat van een oude glasblazersfamilie, de drieënzeventigjarige Helmonder Joop Martinali, haar op het spoor had gezet, met daarbij ook de hint: “Denk aan de Helmondse vrouwen!”  
In haar afscheidsbundel, “De dag dat het naakte mannen regende” ( een mooie uitgave van Deamer Media Design), vergelijkt Tania Helmond dan ook met “een stoer wijf”. Ze vertelt onder andere het verhaal dat Helmondse vrouwen destijds nog geëmancipeerder waren dan de Dolle Minna’s uit het westen en dat in Helmond niet de vrouwen, maar de mannen uit de kleren gingen.
De voorzitter van het Literair Café prijst Tania Heimans voor haar enorme inzet als stadsschrijver. “Je hebt werkelijk alles uit de kast gehaald, om Helmonders hun verhalen te laten vertellen, veel meer dan eigenlijk van je verwacht mocht worden.” 
De publicatie van haar project ‘Helmond schrijft geschiedenis’ zal op passende wijze worden afgerond. Bibliotheek Helmond heeft aangegeven dit mogelijk te willen maken. aldus Tania.


P.F. Thomése : een veelzijdig auteur
P. F. Thomése, veel genomineerd en winnaar van de AkO-literatuurprijs (1991) en de Bob den Uyl-prijs (2012), werd voor zijn laatste roman “De onderwaterzwemmer” (2015) onderscheiden met de prestigieuze Belgische Fintro-prijs voor het beste  Nederlandstalige boek. Thomése opent met het voorlezen uit een essay uit “Verzameld nachtwerk”(2016 ) waarin hij schrijft over het lezen van moeilijke boeken. Het gaat er om dat je  als lezer een insteek vindt en als dat lukt dan blijkt het boek in de lezer plotseling van alles los te maken,  eerst nog verwarrend, maar dan  zie je als lezer allengs verbanden met je eigen werkelijkheid en die van de wereld om je heen. De  fictionele wereld van boek krijgt vorm, wordt grijpbaar en invoelbaar. Literatuur lezen is een kunst, maar die kunst kun je wel leren.

Twee romans over verlies
Met zijn boek “Schaduwkind” (2003) over de dood van zijn nauwelijks zes weken oude dochtertje werd hij beroemd. Een beetje “tegen wil en dank”, zegt hij. Zoveel belangstelling voor iets dat “zo intiem” was, maar het was wel een boek dat geschreven moest worden, en wel omdat het er nog niet was. Wat wel geschreven was, ging vooral over achterblijvers en hun verdriet, maar niet over het verlies op zich: hun kind, hun dochtertje . 
Ook Thomése’s laatste roman “De onderwaterzwemmer” gaat over verlies, maar dan verlies, verweven met schuld. Schuldig zijn, omdat men weet, en weten maakt ook verantwoordelijk. Weten en daardoor verantwoordelijk worden, betreffen in ruimer verband ook “de goorheid” van de werkelijkheid om ons heen, aldus Thomése. Hij wil als schrijver weten en niet ontkennen of negeren.

Lezen  en schrijven kunnen helpen bij het verwerken  van verlies en schuld, maar dat geldt ook voor schaamte. Je leest over dingen waarvoor jij je schaamt. Hij noemt uit zijn eigen jeugd zijn vernielzucht en hoe hij  dan vervolgens leest met wat voor het sadistisch genoegen hierover door Van ’t Reve wordt geschreven. Over “verboden dingen lezen” kan schaamte verwerken. Als schrijver biedt de fictionele werkelijkheid je de mogelijkheid je schaamte al schrijvend te  verwerken, en er zo zelfs ook nog esthetisch genoegen aan te beleven.

Verschillende genres.
Dat Thomése heel verschillende genres beoefent , blijkt  na de bespreking van “serieuze romans” als “Schaduwkind” en de “Onderwaterzwemmer” uit het voorlezen van een fragment uit het boek “J. Kessels The novel” (2009, ook verfilmd). We komen in de bordeelscène van Hamburg terecht. Het is even schakelen en wennen voor een deel van het publiek, maar ook lachen , want het wordt allemaal heel hilarisch beschreven, dat wel. “Ben ik een schizofreen?” vraagt Thomése. Eerst die ernstige boeken en dan dit? Hij ontkent en zegt dat hij het “saai” zou vinden wanneer hij zich tot een enkel genre zou moeten beperken. Hij kan meerdere genres aan, en blijft gewoon een “normaal mens”, met dus ook verschillende kanten.

Fictie en werkelijkheid
Thomése, vertelt dat de personages  bij hem  nooit abstract zijn. Hij heeft vaak meerdere-  “echte” mensen voor ogen, maar ook personages uit de literatuur gebruikt hij , maar ze worden altijd verder  ingevuld door hem als de schrijver. Maar hij moet iets concreets hebben als uitgangspunt. En natuurlijk zijn er altijd mensen die zich herkennen of denken te herkennen en daar soms ook boos om worden, en anderen die zich afvragen ,waarom kom ik niet voor. Of hij herkenbare zaken gebruikt, hangt ook af van de weerbaarheid van mensen: “Over mijn moeder zal ik zolang ze nog  leeft nooit iets schrijven.” 
Als het de beschrijving van privé-zaken betreft, heb je  als schrijver afstand nodig. Je zit er anders  te dicht op. Het verlies van zijn vader komt nu pas in de “Onderwaterzwemmer” aan de orde, terwijl hij al veertig  jaar dood is. Soms heb je veel tijd nodig om op de juiste manier te vinden om iets te kunnen verwoorden.

De lezer moet je dankbaar zijn
Thomése schrijft zijn boeken nooit naar een beoogde lezersreactie toe,  in de zin dat lezers zijn boeken op een bepaalde manier zouden moeten lezen. Hij vindt het juist interessant  hoe verschillende lezers op een werk reageren, hoe ze het interpreteren. Dat is voor hem verrijkend.

Het was een boeiende, afwisselende  avond!
Martin Thijssen


Arnon Grunberg

2 februari | Literair Café Helmond
Door Martin Thijssen | Bekijk de foto's

Arnon Grunberg (1971) is voor de eerste keer in Helmond. Een overvolle zaal met bijna 600 bezoekers. Udo Holtappels interviewt. Grunberg was ’s ochtends uit New York gearriveerd. De voorzitter van het Literair Café bekende dat het bestuur opgelucht was toen men hoorde dat hij daadwerkelijk was aangekomen, dit gezien het geharrewar rond de presidentiële decreten over in- en uitreizen. Grunberg merkt op dat hij nog steeds zijn greencard heeft en ook weer terug mag. Hij heeft wat het binnenlandse beleid betreft alle vertrouwen dat de rechtelijke macht in de VS Trump in bedwang houdt, maar hij weet ook dat sinds 9 /11 de president zich bij zijn buitenlands beleid veel kan veroorloven en wat daarmee uiteindelijk gaat gebeuren is onzeker. Dus de tijden zijn best spannend.

Columns
Daarom ook dat hij zijn column “Voetnoten” in “De Volkskrant” aanhoudt. Na Obahma zou hij daarmee stoppen maar nu blijft hij doorgaan. Hij kiest er trouwens voor als schrijver ook deel te nemen aan het maatschappelijke debat. Hij is niet de schrijver die opgesloten in zijn kamer uitsluitend zijn romans schrijft. Daarnaast speelt ook een rol dat de deadline voor zijn dagelijkse column “Voetnoten” een onderdeel van zijn dagritme is geworden. Columns geven hem ook de vrijheid om op een “luchtigere” manier bezig te zijn, zoals in zijn column “De seksrabbijn”. Hoewel “luchtig”: seks is - aldus Grunberg - een serieuze zaak in het leven.

Kwaad
Krijgt hij ook boze reacties op zijn columns, gezien hun directheid en stelligheid? Jazeker. Bijvoorbeeld van een mijnheer die zelfs elke dag boos mailt. Grunberg reageert daarop niet meer. “Wel, wanneer de man zou ophouden met mailen. Wellicht is er dan iets met hem aan de hand.” Of, de vrouw die mailt dat ze zijn “Seksrabbijn” maar “smerig” vindt, maar hem smeekt niet op haar mail te reageren , want haar man leest ook haar mail. Echte boosheid betekent echter ook dat je geraakt bent. Dat de column iets met je doet.

Spontaan
Grunberg praat vlot, open ,eerlijk , spontaan . Hij heeft aan een half woord van de interviewer genoeg. “Wat een aardige man”, hoor je in de pauze. “Uit zijn boeken krijg je soms een heel ander beeld.”

Onderzoek
Grunberg is druk , schrijft veel en heeft dat ook nodig. Hij is “nieuwsgierig”. Hij herhaalt dat een paar keer. Daarin past ook dat hij voor zijn boeken onderzoek doet , zoals voor “Tirza” en zijn “embedded” meegaan naar Afghanistan en zijn werk in een psychiatrische inrichting. Op de plaats zelf beleef je dingen die je in je studeerkamer niet kunt bedenken: voorvallen, beelden, geuren, smaken. Ook het een tijdlang verblijven bij zijn moeder ziet hij als zo’n onderzoek. Hij heeft er gebruik van gemaakt in zijn roman “Moedervlekken” (2016).

“Moedervlekken” heftig
“Moedervlekken” schrijven is heftig geweest. Het “af” hebben van de roman was een “bevrijding.” Als schrijver word je door je personages “beïnvloed”. Ze krijgen greep op jouw leven. Hij had zelf het gevoel langzaam in het hoofdpersonage Kadoke te transformeren. Hij nam diens “romanstemming” over. Grunberg dacht er zelfs over ook psychiater te worden. Hij verwijst in dit verband naar een verhaal van Tsjechow - een bron voor zijn roman - waarin de psychiater uiteindelijk zelf als patiënt wordt opgenomen. “Moedervlekken” is geen biografische roman , maar natuurlijk zitten er biografische elementen in. “Moedervlekken”, verwijst ook naar zijn eigen moeder en wat ze in hem heeft nagelaten. Holtappels wijst erop dat deze roman minder “heftig” is dan we van hem gewend zijn: “De personages vallen minder diep, dan doorgaans het geval is.” Grunberg beaamt dat. “Zit er meer hoop in?” Wellicht, want Kadoke heeft als psychiater in ieder geval de opdracht duidelijk te maken dat leven een betere keuze is dan zelfdoding. Grunberg wil ook een vervolg schrijven , een tweede roman met Kadoke , maar eerst nog een andere roman. Waarom kiest hij nooit eens voor “lichtere personages”? Hij zou dat niet kunnen. De personages zelf zijn trouwens niet “zwaar”, “maar wat ze meemaken is zwaar”. In onze maatschappij is weliswaar de stemming: “iedereen gelukkig” , maar er is ook een andere kant. “Zwaar” betekent niet dat hij het leven niet omarmt. Integendeel. Hij is dan ook tegen een al te soepel euthanasiebeleid. Hij wil iemand niet het recht ontnemen op levensbeëindiging , maar het mag niet lichtvaardig gebeuren of door te soepele wetgeving gestimuleerd worden.

De jeugd
Hoe kijkt de jeugd naar zijn boeken. Hij komt veel op scholen. Het stelt hem teleur dat ze zijn personages vaak vreemd vinden. Hij denkt niet dat hij voor jeugdigen anders moet schrijven dan voor volwassenen. Wellicht is het de angst, zich te herkennen. Het houdt hem wel bezig.

Kritiek en Trump
Felle afwijzende reacties op zijn boeken doen hem niet veel meer. In het begin wel. Wat ze ook zeggen: hij zal toch blijven schrijven. Wanneer een criticus van wie hij het gevoel heeft dat die hem begrijpt, iets opmerkt, dan doet hij daar zijn voordeel mee. Hij is er van overtuigd dat het papieren boek blijft bestaan. En op een vraag uit de zaal of Trump de termijn volmaakt: “Hij vreest het ergste.” Het Witte huis zou wel een psychiater kunnen gebruiken.

Een mooie avond met een open en eerlijk gesprek met een topauteur.

Martin Thijssen


Alexander Münninghoff

22 november | Literair Café Helmond

Door Martin Thijssen | Bekijk de foto's

Jarenlang heeft Alexander Münninghoff (1944) het stilzwijgen bewaard over zijn onthutsende familiegeschiedenis en daarmee ook over zijn eigen levensverhaal. Pas in 2014 treedt hij er mee in de openbaarheid met het boek “De stamhouder”, dat overal uitermate lovend wordt besproken en met de Libris-geschiedenisprijs 2015 wordt bekroond. Een volle zaal luistert ademloos. Münninghoff is een geboren verteller en hij weet, zoals in zijn schrijfstijl, het journalistieke met het literaire te verbinden.

Een sluwe ondernemer

Zijn verhaal, dat bijna de gehele twintigste eeuw omvat, begint met Münninghoffs grootvader, een sluwe ondernemer, die in het vooroorlogse Letland puissant rijk wordt, een Russische gravin trouwt en net voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog hals over kop naar Nederland vlucht met achterlating van zijn bezittingen,om vervolgens in Nederland zijn zakenimperium opnieuw op te bouwen, waarbij hij tot op het hoogste niveau handig gebruik maakt van vriend en vijand.

Een zoon als SS-er

Het boek gaat ook over een zoon, Frans, Münninghoffs vader, die Nederland haat, zich Baltische Duitser voelt, en later vrijwillig SS-er wordt om tegen de Bolsjewieken te gaan vechten. Ook talrijke Esten traden als vrijwilliger toe tot Estische eenheden van de SS om zo aan de zijde van Duitsland, de onafhankelijkheid van hun land tegen de Sovjet- Unie te bevechten. Frans wil terug hebben wat hem is afgepakt en waardoor hij veroordeeld is tot een leven in het miezerige Nederland. Met de “Herrenvolkideologie” had dat allemaal niets te maken. Het was naïef idealisme.


Een ontvoerde stamhouder

En het boek gaat ook over Alexander Münninghoff zelf, zijnde de zoon van de SS-er Frans en de stamhouder van de familie. Door zijn grootvader wordt hij na de scheiding van zijn ouders van zijn verstoten moeder weggehaald, gewoon ontvoerd, terwijl zijn moeder in bittere armoede in een vochtig krot in Duitsland achterblijft, angstig elk contact met haar zoon en de familie mijdend , gezien de mogelijke repercussies van de oppermachtige grootvader.

Geschiedenis vanuit een persoonlijk verhaal

Münninghoff vertelt zijn verhaal zonder opsmuk, nuchter. Geen sensatieverhaal. Dat maakt het indringend en soms hartverscheurend. Hij benadert de geschiedenis vanuit een persoonlijk verhaal, waardoor je inzicht krijgt in aspecten die in de traditionele geschiedschrijving onder- belicht blijven of tamelijk abstract. Hij laat ons zien dat niet alles zwart - wit was, maar ook dat op het hoogste niveau de dingen niet allemaal zo netjes gaan als wij wellicht soms denken. Dat komt vooral tot uiting wanneer hij vertelt hoe zijn vader Frans - de gewezen SS-er en soldaat in vreemde krijgsdienst - uiteindelijk na de oorlog aan een veroordeling is ontkomen, wellicht dankzij gesprekken in “de herenkamer” van de villa van grootvader, waardoor uiteindelijk zelfs Nederlands strengste opperrechter zwichtte onder de voortdurende druk van met grootvader bevriende vooraanstaande katholieke politici.

Naar aanleiding van vragen uit de zaal maakt hij wel duidelijk dat zijn vader geen oorlogsmisdadiger is geweest. Dat was wel uit onderzoek gebleken. Aan de vervolging en uitmoording van de Joden had hij niet meegedaan. Hij was soldaat in de voorste linies en daar was het altijd “Immer vorwärts”, zei zijn vader. Wat de Joden was aangedaan, was verschrikkelijk, maar dat was verder geen thema in relatie tot het SS-er-schap van zijn vader. Van zijn grootvader mocht zijn vader over zijn oorlogservaringen nooit spreken. Grootvader was op en top vaderlander en verafschuwde de daad van zijn zoon.

Foute Nederlanders

Dat Münninghoff zolang gewacht heeft met zijn verhaal, heeft te maken met de tijdgeest. Eigenlijk nu pas komen verhalen los van kinderen van “foute” Nederlanders. Je was bang iets over je verleden te vertellen. Je liep er niet mee te koop dat je de zoon was van een SS-er. Münninghoff vergelijkt het met uit de kast komen. Het kan hier nu in Nederland.

Geen Duitse uitgever tot nu toe

Opvallend is, vertelt Münninghoff, dat zijn boek bijvoorbeeld in Duitsland tot op heden geen uitgever heeft kunnen vinden. Men vindt zijn boek te nuchter, er zit te weinig “Vergangenheitsbewältigungs-emotie” in, alsof je het verleden ook niet op een meer zakelijke manier kunt verwerken. In Frankrijk zal bijvoorbeeld wel een vertaling verschijnen.

De toekomst van de Baltische staten.

Münninghoff legt uit dat Estland en Letland als gevolg van de Russische bezetting bevolkt zijn geraakt met veel Russen ,vaak vroegere militairen, en dat in sommige grote grenssteden de Russisch-taligen de meerderheid hebben. Na de zelfstandigheid van deze landen (1990) is in Estland de beheersing van de landstaal bovendien een voorwaarde voor staatsburgerschap geworden. Onze minister Van der Stoel heeft destijds op hoog niveau tegen deze rampzalige wetgeving geprotesteerd. Münninghoff heeft van hoge Russische militairen te horen gekregen dat indien de Russisch-taligen in de grenssteden om hulp vragen, zij niet zullen schromen die te bieden. Hier schuilt een groot gevaar. Hij wijst ook op het gevaar van het steeds verder - uitdagend - opdringen van de Navo.

Met een langdurig, welverdiend applaus wordt de avond afgesloten.

Martin Thijssen

Lize Spit en Maartje Wortel geïnterviewd door Elsbeth Etty

19 oktober | Literair Café Helmond

Door Martin Thijssen | Bekijk de foto's

Op het podium twee jonge schrijfsters wier werk inmiddels overal lovend is besproken en onderscheiden: de Vlaamse Lize Spit (1988) met haar debuutroman “Het smelt” en de Nederlandse Maartje Wortel (1982) met haar recent verschenen “IJstijd” en “Goudvissen en beton”. Een inspirerende avond over thema’s als “de zoekende” mens en “gemankeerde” menselijke relaties. Maar ook over hoe een schrijver de wereld observeert en als stof voor zijn boeken verwerkt, en over waar de grens ligt in verband met herkenbaarheid en kwetsbaarheid. En: Lees je zelf als schrijver? Inspireert het werk van anderen je, of juist niet, mijd je het? En wat doet kritiek met je? Een avond - met ook veel ontspannen gelach - die uitstekend werd geleid door Elsbeth Etty, bijzonder hoogleraar kunstkritiek.

Das Mag

Beide schrijfsters zijn het boegbeeld van de jonge uitgeverij Das Mag. Ze hebben bewust voor deze uitgeverij gekozen, omdat het in grote uitgeverijen veelal “vechten om een plek” is. Hier bij Das Mag gaat het om “jou en jouw werk”. Het is “net een familie ,die je al direct mist als je maar even weg bent geweest”, aldus Lize Spit.


Maartje Wortel

De overeenkomst tussen Maartje Wortel en Lize Spit is, dat beiden een heldere taal schrijven. En dan komen de verschillen. Het gaat Maartje Wortel niet primair om een verhaal met een plot en het uitwerken en uitdiepen van personages. Maartje Wortel stelt in haar werk vragen en roept vragen op met soms absurdistische middelen. Het gaat haar om de zoekende mens. Er blijft in het menselijk bestaan altijd ruimte tussen jezelf en de ander. Die ruimte is vrijheid, maar leidt ook naar zoeken om houvast. Ze verwijst naar Camus’ Sisyphus, die telkens weer de steen naar boven rolt, hoewel hij weet dat die terugrolt en hij weer opnieuw moet beginnen. Maar deze absurditeit biedt contact en houvast. Maartje Wortel noemt uit haar eigen werk de man die elke dag naar een lantaarnpaal loopt, die aantikt, en met de taxi terugkeert. Of het verhaal dat ze voorleest over de “krankzinnige” vader die achter het raam van het gesticht naar molens blijft blazen, om de wieken in gang te zetten, elke dag weer opnieuw. Maar ook de hoofdpersoon in “IJstijd”, is op zoek naar houvast in zijn bestaan. Hij vindt die in de liefde, maar verliest die weer en zal weer opnieuw op zoek gaan.

Op de vraag of ze niet een familieroman zou kunnen of willen schrijven zoals Lize Spit, antwoordt ze dat ze dat nu niet aandurft. Er zal te veel herkenbaars zijn en ze zou mensen , bijvoorbeeld haar nog levende ouders, kunnen kwetsen, ook al weet ze dat in fictie niet alles één op één is, maar toch.


Lize Spit

Lize Spit werkt personages uit en stuurt met thrillerachtige spanning naar een heftige afloop. Haar stof haalt ze uit haar jeugd. Haar mensen zijn “gemankeerd”, zoals iemand in de zaal opmerkt. Maar zonder gemankeerde mensen geen roman, is haar reactie. Perfecte mensen, zou de literaire lezer alleen maar achterdochtig maken. En de mens is per definitie gemankeerd.

Kern in haar roman “Het smelt” is een gezin dat in alle opzichten “onaf” is, waar de ouders hun verantwoordelijkheid in feite overlaten aan de kinderen. Gruwelijk is het door haar voorgelezen fragment waarin de vader zijn dochter de strop laat zien waarmee hij zich zou kunnen verhangen en ook hoe hij dat het beste zou kunnen doen.

Lize Spit heeft de stof voor haar roman jaren met zich meegedragen: Gebeurtenissen, beelden en personages uit haar jeugdomgeving die bruikbaar zijn. Ze observeert altijd en kijkt wat in een boek bruikbaar is. Zoals onlangs nog bij een begrafenis. Maar dat is ook verwerking.

Op een gegeven moment voelde ze dat nog langer rondlopen met de roman in haar hoofd, ertoe zou leiden dat die haar ontglipte. Ze had ook - zoals Maartje Wortel - met het probleem te maken van herkenbaarheid en kwetsbaarheid. Maar zegt ze:“Ik ben een in werkelijkheid een zachtaardig persoon”, maar daar waar het haar schrijverschap betreft, is ze “genadeloos”. Ze wist dat als ze te lang bleef aarzelen, de roman er nooit zou komen. Ze is als in een roes in een razend tempo gaan schrijven. En heeft hem in korte tijd op papier gezet. En natuurlijk herkennen mensen zich of denken zich te herkennen, en ze zijn soms ook teleurgesteld omdat ze zichzelf niet “vastgelegd” vinden.

Voorbeelden

Voor Maartje Wortel is Tsjechow het grote voorbeeld. Tsjechow geeft geen oordeel over zijn personages en hun denken en handelen, dat laat hij aan zijn lezers over. Dat is ook wat Maartje Wortel beoogt, de lezer zelf laten denken. De korte verhalen van Tsjechow zou ze mee naar een onbewoond eiland willen nemen. Lize Spit leest tot nu toe niet veel van anderen. Ze is bang of om beïnvloed te worden, of om te denken dit is zo goed dat wat heb ik hieraan nog toe te voegen. Maartje Wortel zegt dat de confrontatie met een ander, je ook kan leren je eigen stijl te herkennen en te vormen. Ze is niet meer bang voor beïnvloeding. Ze heeft haar eigen stijl en voelt dit ben ik wel of niet. Lize voelt zich nog kwetsbaar.

Toekomst en kritiek

Maartje Wortel zegt dat ze moet schrijven, het is een dwang, hoe dan ook. Lize Spit voelt de druk van een succesauteur die verwachtingen heeft gewekt. Al meer dan honderdduizend exemplaren zijn verkocht en aan meer dan tien landen de vertaalrechten. Maartje Wortel: “Lize, je hoeft niet bang te zijn, jij komt er wel.” Kritiek pakt Lize Spit hard aan. Met name wat op twitter verschijnt. Maartje Wortel is meer gehard. “Lize, twitteraars weten vaak niet wat ze doen.”

Een openhartig gesprek tussen twee vernieuwende schrijfsters die elkaar ieder hun succes gunnen, een geweldige avond.

Martin Thijssen



Joke van Leeuwen

21 september | Literair Café Helmond

Door Martin Thijssen | Bekijk de foto's

Een volle zaal, met ook verheugend veel jonge mensen, bij het begin van het nieuwe seizoen van het Literaire Café Helmond. De hoofdgast , Joke van Leeuwen, wordt voorafgaan door Tania Heimans, de Helmondse stadsschrijver. Ze is bezig in veertien workshops verhalen te verzamelen van Helmonders: “Verhalen die verteld moeten worden” , waarbij ze verwijst naar het meisje Elisabeth op de cover van haar laatste boek “Huis met de leeuwen”. Ze interviewde haar als inmiddels 90 jarige , een als zwijgzaam en nauwelijks toegankelijk, bekend staande vrouw , die dan tegen haar zegt : “Nu weet ik waarom ik zo lang heb geleefd, want mijn verhaal moest ooit verteld worden”. De verhalen die Tania Heimans met de workshops verzamelt zullen later worden gepubliceerd en wel op een speciale manier vormgegeven door Rolf Thijssen.

Veelzijdig
Joke van Leeuwen is veelzijdig. Ze schrijft poëzie en proza, kinderboeken en romans voor volwassenen. De laatste twee zijn “De onervarenen”( 2012), waarvoor ze de AKO –literatuurprijs kreeg en “Feest van het begin” (2014) dat de shortlist van de Libris-literatuurprijs bereikte. Ze is ook illustrator en heeft een achtergrond als cabaretier. Dat laatste is aan haar schitterende, droogkomische presentatie goed te merken. Ze weet daarmee herhaaldelijk lachsalvo’s te ontlokken. Licht en zwaar wisselen elkaar af in haar verhaal en in de teksten die ze voorleest. Ze brengt haar boodschap met humor, maar wel met scherpte daar waar het bekrompen, onderdrukkende opvattingen over de vrouw betreft, de uitwassen van consumptie-selfie-maatschappij, de vergeten en weggedrukte mens, en de taalverloedering. Maar nogmaals ze doet het speels. Ze roept een lach op, maar stemt ook tot nadenken. Haar taalgebruik is een prachtige soepele mix van oud en nieuw met schitterende vondsten. Ze jongleert met taal.

Nederbelg
Joke van Leeuwen groeide op in België en Nederland en kan zaken “verfrissend” van twee kanten bekijken: Van Speijk met zijn dan “liever de lucht in” is in “Holland” weliswaar een held. In België viert men de bevrijding van de “Hollanders” en wijst men op van Speijks talloze burgerslachtoffers. De tweezijdigheid in woon- en leefplek heeft bij haar voor een bredere kritische kijk gezorgd. De talige kant van haar Belgisch - Nederlandse tweezijdigheid heeft ze lichtvoetig verwoord in het gedicht “Nederbelg”. (Uit “Woorden op bezoek”, Rainbow 2015)

“Een Nederbelg spreekt
(…)
veel gezemel en gezaag
is ook veel gezeik
als ons kind op kamers gaat
gaat ons kind op kot
wie gebuisd is, is gezakt
en een dwaas is een zot
ben je de pedalen kwijt
dan ook vast de kluts
(….)
zo kan ik lang doorgaan, ja
dan doe ik lang voort
want die taal van hier en daar
die van zuid en noord
is, allee
best wel oké
is gewoon
wreed schoon.“

Haar vormkeuze in de poëzie is breed. Haar taalgebruik is soepel, zoals uit de prachtige gedichten blijkt, die ze uit haar bundel “Woorden op zoek” voorleest. Zware dingen licht en toch op nadenkend stemmende wijze verwoorden, dat kan ze.

Vrouwen in de verdrukking
In haar twee laatste romans, die historische thema’s hebben - de grote emigratie halverwege de negentiende eeuw (“De onervarenen”) en de Franse Revolutie (“Feest van het begin”), spelen vrouwen die in de verdrukking raken en keuzes moeten maken om te overleven een grote rol. Ze laat met opzet geschiedkundige feiten (namen, plaatsen ,tijden) zoveel mogelijk weg, om het “O, dat weet ik” of “O, dat ken ik” bij de lezer te vermijden. Het gaat haar om de personages: hun voelen en denken en dilemma’s. Uit de voorgelezen passages blijkt dat ze een rustig ingetogen proza schrijft met mooie beelden. En ook hier weer zwaar en licht naast elkaar.

Menselijk mededogen
Haar menselijk mededogen blijkt onder andere uit “Gedichten voor de eenzame uitvaart”, ook uit de bundel “Woorden op bezoek” Het zijn gedichten voorgelezen bij een korte, hooguit een kwartiertje durende begrafenis van eenzamen. Een strofe uit een voorgelezen gedicht.

“Voor J.V.D Gekregen als begin: een voornaam, achternaam.
Zo leren lopen op twee benen. Vanzelf wordt wie
een leven heeft eerst groot, dan oud. Hij was
verpleger voor zijn brood , zeg aan wiens bed.
(…)”

Een mooie avond met licht en zwaar, en afgesloten met een lang, welverdiend applaus.

Martin Thijssen




Lid worden?

Vanaf € 60.- bent u donateur van het Literair Café Helmond. U heeft gratis toegang tot onze 6 literaire avonden en mag bovendien gratis 1 introducé meenemen. Zo bespaart u 50% ! Ook ontvangt u voor elke avond informatie over de schrijver (per email en eventueel per post).

Nieuwe donateurs kunnen zich aanmelden via het aanmeldformulier op deze website of bij het secretariaat:

Wethouder van Wellaan 142
5703 CN Helmond
Tel. 0492 532496

Losse kaartjes kosten € 10,00 (tot 18 jaar € 5,00)
Kaarten zijn alleen aan de zaal verkrijgbaar.
Reservering van plaatsen is niet mogelijk.