Maaike Meijer

17 april | Literair Café Helmond
Door Martin Thijssen

“Het is een tamelijk hardnekkig misverstand dat haar pseudoniem Maria Vasalis zou zijn”, zo begint Maaike Meijer haar inleiding over haar in 2011 verschenen boek: “ M.Vasalis. Een biografie”. Meijer legt uit dat Vasalis bewust niet als vrouw wilde publiceren, omdat het literaire werk van vrouwen in die tijd toch vaak nog als tweederangs werd beschouwd: “Iets dat met liefde, sentiment of natuur te maken had”.

Haar pseudoniem, aldus Meijer, heeft Vasalis (1909-1998)  afgeleid van haar vadersnaam: Leenmans. Een ander woord voor “leenman” is “vazal”, in het Latijn: “Vasalis”. Vasalis  met enkel de sekseneutrale voorletter M werd het pseudoniem voor de vrouw met als werkelijke naam:  Margarethe Leenmans. Dat het pseudoniem ook werkte blijkt wel uit het feit dat de schrijver Ter Braak al drie essays over deze “man” met zijn voortreffelijke gedichten had geschreven voordat hij erachter kwam dat het om een vrouw ging.

Waarom schreef Maaike Meijer deze biografie? Wilde Vasalis dit wel? Ze heeft immers haar privé-leven altijd angstvallig afgeschermd van elke publiciteit , en ook als auteur is ze nauwelijks in de openbaarheid getreden. Meijer verwijst voor haar motivatie naar Vasalis zelf, die ooit heeft gezegd dat zij onderzoek naar het leven van de schrijver en zijn werk alleen van belang acht, wanneer men -wat zij noemt - de “structuur” achter het schrijven probeert te achterhalen. Dat heeft Meier met haar biografie willen doen. Die “structuur” heeft volgens Meijer bij Vasalis met grensoverschrijding” te maken. “Vasalis wil erbuiten stappen”. Ze wil bijvoorbeeld “opnieuw geboren worden. Terug naar het voorgeboortelijke bestaan.” Veel van haar gedichten gaan ook over visioenen en dromen met juist als kenmerk dat grenzen worden overschreden.

Maaike Meijer hield een buitengewoon boeiende lezing,  waarbij de gedichten  die aan de orde kwamen,  vooraf per “thema” werden voorgelezen door Alda Reijnders, die dat voortreffelijk deed. Meijer begon met twee gedichten rond  Vasalis’ werk als psychiater : het bekende “De idioot in het bad” en  “De vierde wereld” . Gedichten die ook Vasalis’ diepe betrokkenheid bij de zielszieke  mens laten zien,  de mens uit wat Vasalis de andere “Vierde wereld”, noemt.

In het gedicht “Eb” komt het thema “ tijd” aan de orde. “Wachten” gezien als “tijd die niet verloren gaat”. Het “wachten” ook als productieve tijd van de kunstenaar. “De tijd” komt vaak voor in de gedichten van Vasalis als:  teruggaan  naar vroeger , als wat voorbijgaat, als gestold moment en uiteraard ook als toekomst.

Meijer besteedt vervolgens uitvoerig aandacht aan enkele gedichten met visioenachtige beelden die volgens haar op een “mystieke, maar niet als  religieus op te vatten ervaring” moeten zijn gebaseerd. Als kenmerken noemt ze: het plotselinge, de passiviteit bij wie het overkomt,de lichtervaring, het wegvallen van  tijd en ruimte, en het in elkaar overgaan van de ziende en het geziene, subject en object: “het ik wordt, wat het ziet”. Het kunnen bij Vasalis mooie en verschrikkelijke ervaringen zijn, zoals bij de vroegere mystici. De gedichten gebaseerd op deze mystieke ervaring lijken in de  “hitte van de beleving” geschreven. Uit de manuscripten blijkt dat Vasalis er daarna hooguit nog een enkel woord aan veranderde.  Voorgelezen en toegelicht worden: “Ster”, “Tijd”, “De krekels”.

Een ander aspect van Vasalis’ werk is de verwoording van spirituele ervaringen ,zoals in de gedichten : “Afsluitdijk”, “Cannes”, en in “De weiden liggen ongezegd”. Het zijn ervaringen van verwarring , deemoedige verwondering en ontroerende stilte over aspecten van de schepping door een niet-gelovige.

Waarom stopte Vasalis al na drie bundels in 1954 met publiceren? Pas na haar dood verscheen in 2002 haar laatste bundel. Was haar creativiteit opgedroogd? Koesterde ze die te weinig door haar andere taken en werkzaamheden. Dit gebrek aan ruimte en rust om tot schrijven te komen,  noemt ze bijvoorbeeld zelf vaak. Het is voor haar een probleem. Ze komt er ook niet toe om dingen af te maken. Uit de documentatie blijkt dat Vasalis in ieder geval ook worstelde met de taal van de verwoording. Ze denkt na over een taal zonder beelden, terwijl beelden juist haar sterke kracht zijn. Ze wil een taal zonder adjectieven, etc. Maar misschien wilde ze uiteindelijk wel gewoon iets anders. Een nieuw begin. Maaike Meijer denkt dat het gedicht “Uittocht” hierop wijst. In haar boek heeft Meijer deze vondst nog niet opgenomen. Het gedicht eindigt met:

“En ‘k stond alleen zoals een stamper doet. Kom! Lopende op blote voeten…”

Aan de hand van het gedicht “Uittocht” laat Meijer zien dat voor Vasalis de oude wereld opgeruimd is. Ze wil opnieuw beginnen. De oude wereld is voor haar verworden tot een bloem met terug krullende bloemblaadjes  , waarvan  uiteindelijk alleen de stamper overblijft.  Naakt en vrij  opnieuw beginnen. Een bewuste keuze?

Meijer wijst ook er ook op dat Vasalis zich nooit in het publieke, maatschappelijke debat heeft gemengd, wat jammer is, want ze had wel degelijk opvattingen over wat er gaande was . Zo wijst Meijer op Vasalis’ niet gepubliceerde reactie op het artikel van de feministe Joke Smit: “Het onbehagen van de vrouw”. Vasalis had grote bewondering voor haar moedige artikel, ofschoon ze het niet met alles eens was. Het leven met kleine kinderen, was voor Vasalis als vrouw geen “natuurramp”, zoals Smit destijds schreef.

Het was een schitterende laatste avond van het seizoen met een welverdiend applaus voor Maaike Meijer, en voor Alda Reijnders.

Martin Thijssen

Connie Palmen

15 maart | Literair Café Helmond
Door Martin Thijssen | Bekijk de foto's van deze avond!

“Mevrouw Palmen u bent een van de grote schrijvers van dit moment, en u hebt met ‘Logboek van een onbarmhartig jaar’ een aangrijpend, eerlijk boek geschreven”, aldus de voorzitter van het Literair Café in zijn inleidend woordje. Ruim vijfhonderd bezoekers waren gekomen voor een -zoals al gauw bleek- uitermate boeiende avond, waarop Connie Palmen serieus, maar ook met veel humor, over haar werk in relatie tot zichzelf, en over haar schrijverschap in het algemeen vertelde.

Connie Palmen leest het begin voor uit ‘Logboek van een onbarmhartig jaar”. De zaal luistert ademloos. Het boek gaat over haar rouwpijn na de dood van haar man, Hans van Mierlo, nu twee jaar geleden. Rouwpijn voelt als “verliefdheid zonder verlossing”, aldus Connie Palmen. Deze aanvankelijk voor onbeschrijfelijk gehouden pijn van de eerste maanden na  het verlies van haar man wilde ze met haar boek tegen het vergeten vastleggen. In de literatuur over rouw - in die tijd door haar gretig gelezen -en door haar nu lachend “rouwkost”, genoemd, vond ze over deze rouwpijn te weinig dat haar houvast bood. Verwoorden wat nog niet verwoord is, dat is volgens Connie Palmen over het algemeen de taak van serieuze literatuur. Dat maakt literatuur “literair”.

“ ‘Hoe gaat het?’, vragen mensen me, nu twee jaar later. Ik vertel dan meestal het volgende grapje”, zegt ze. “Twee joden die de holocaust hebben overleefd en in New York terecht zijn gekomen, ontmoeten elkaar. Vraagt de een aan de ander: ‘Are you happy.?`  De ander denkt na: ‘…, yes. I, Am happy’, en hij vraagt daarna aan de ander: ‘And you? Are yóu happy?’ Waarna die na heel lang nadenken zegt: ‘…Yes, I’am  happy , aber nicht glücklich.’”

Hechting, vriendschap en liefde, dat zijn haar eigenlijke thema’s. Waarom schrijft juist Connie Palmen, daarover? Ze maakt een ‘bruggetje’ naar haar boek “De vriendschap”, uit 1995. Het gaat over haar jeugd. Ze leest voor. Prachtig. Het lijkt cabaret. Alsof je bij Toon Hermans zit. De zaal lacht en zelf schiet ze ook herhaaldelijk in de lach. Het thema van een van de voorgelezen hilarische passages is ‘hechten’. “Je moet je niet zo hechten”, zegt haar moeder. De andere kant van ‘hechten’ is immers vaak verdriet om het verlies.
Aansluitend vertelt Connie Palmen dat zij het “hechten”, het zich afhankelijk maken,  altijd in extreme mate in zich heeft gehad, met name in een liefdesrelatie. Maar daardoor -en dat is de andere kant-  kan zij daarbuiten ook uiterst onafhankelijk zijn. Die afhankelijkheid geeft haar dus ook een enorme vrijheid.

IWat haar schrijverschap betreft: “Schrijven is eenzaam”. Elk nieuw boek wordt grondig voorbereid. Ze leest alles wat los en vast zit rond het thema dat ze gaat aanpakken. Ze maakt schema’s . En een boek schrijft zich daarna niet zelf: “Ik bepaal of mijn pen linksaf of rechtsaf gaat.” Ze is niet een van de schrijvers, bij wie via inspiratie van boven het boek uit de pen vloeit. Ze weet zelf goed wanneer haar boek “af “is. Haar broer is altijd de eerste lezer.

De literaire kritiek? Ze heeft daar niet zo veel mee. “Laat ze maar schrijven.” Ze is liever met haar vak bezig. Ook de oproep - onlangs van literatuurwetenschappers - om meer “ straatrumoer en engagement”, legt ze naast zich neer. Ze laat zich niets dicteren. Literatuur moet zich niets laten voorschrijven, en zeker niet door “buitenstaanders”.

En naar aanleiding van het tv-relletje over de zogenaamde “literaire thrillers”. Ze heeft niets tegen thrillers en de auteurs ervan. Ze heeft alleen willen aangeven dat ze met het begrip “literair” bepaalde standaarden verbindt. Onder andere :grensverleggende originaliteit. “Ik wil als schrijfster origineel zijn. Connie Palmen is origineel”, roept ze met een gulle lach en de nodige zelfspot.

Zelfs leest ze vooral de grote al wat oudere schrijvers uit de wereldliteratuur, van Thomas man tot Philip Roth. Aspecten van de grote literaire traditie vind je ook terug in haar romans. Ze noemt als duidelijk voorbeeld “Lucifer”. Een roman komt bij haar niet plotseling uit de lucht vallen. Er zijn verbanden met heden en verleden.

Zoals reeds gezegd, het was een uitermate boeiende avond.

Martin Thijssen

Esther Gerritsen en Christiaan Weijts

24 januari | Literair Café Helmond
Door Martin Thijssen

Esther Gerritsen begon de avond met een prachtig voorgelezen fragment uit haar laatste roman “Superduif”, een roman over een kind dat verandert in een gigantische, oerlelijke duif en in die hoedanigheid een reddende engel wordt. In het voorgelezen fragment vertelt het kind tijdens een spreekbeurt over deze ervaring, intussen vol angst over de mogelijke reacties van de medeleerlingen. Wanneer zal het uitlachen beginnen?

Gerritsen wijst erop dat haar boek teruggaat op eigen vroegere Spiderman-achtige reddingsfantasieën: mensen uit brandende huizen halen, suïcidalen weer op het droge trekken, enzovoorts. Recensenten loven alom de knappe observaties van Esther Gerritsen, haar inlevingsvermogen en haar oprechtheid. Dat observatievermogen blijkt ook uit haar columns, die onlangs gebundeld verschenen zijn in “Jij hebt iets leuks over je”. Wat wij bewust of half bewust ervaren aan onszelf of in de omgang met anderen, of om ons heen zien gebeuren, haalt zij scherp naar boven, vanuit een onverwachte invalshoek,  in een vaak humorvol gesprek met zichzelf, waarbij gedachten en argumenten over elkaar buitelen, en het uitvergroten en verkleinen voor een verfrissende relativering zorgt.

Ze heeft humor met zelfspot. Ik denk dat ze in haar columns ijzersterk en uniek is. Zo las ze voor over een beginnende schrijfster die ten prooi valt aan het mediacircus: “Ik had me op een kar door de regen laten trekken”. Of de column over de aap “Bokito”, waarin ze afwijkend van de media –benadering van  destijds, het voor de belaagde vrouw opneemt. Of haar hilarische  columns over de verschillen tussen  kroket- en frikandel-eters, en hoe vrouwen sla eten.

Later op de avond zal ze zeggen dat ze voor het schrijven in een bepaalde stemming moet zijn. Het gaat dan als vanzelf. Flow? Maar wel knap. Bij het schrijven grijpt ze vaak naar boeken in haar boekenkast, waarvan ze vermoedt dat de schrijvers ervan over dezelfde “dingen”of of “situaties” schrijven. Dit ter legitimering voor haarzelf dat ze over de zaken waarover ze wil schrijven, inderdaad “mag”schrijven, en dat het niet over onbenulligheden gaat. Daarnaast leest ze vooral ook non-fictie, zoals Gitta Sereny’s boek over Albert Speer, dat diepe indruk op haar maakte. De psyche van de mens, interesseert haar.

Christiaan Weijts las voor uit zijn debuutroman over een stalker: “Art.285b”. Weijts is talige power, zie vooral “Via Capello 23”, en hij pakt met venijn maatschappelijke aberraties aan, zoals ook in zijn laatste boek “De etaleur”, waarin het vrije- markt -denken botst met een eco-actiegroep. Zijn schrijversvoorbeelden waren aanvankelijk vooral auteurs met een “lyrische inslag”: Rimbaud Verlaine, Slauerhoff en Nooteboom, maar zijn voorkeur gaat nu uit naar een andere, wellicht meer sobere stijl. De Fransman Houellebecq heeft hem met zijn laatste boek “De kaart en het gebied” uitermate weten te boeien.

Lezen van fictie is echter voor hem niet meer louter plezier. Hij leest als de professional die op technische aspecten van het vak let, bijvoorbeeld hoe een ander bepaalde schrijfproblemen heeft opgelost. Het is niet meer het onbevangen lezen. Helemaal in iets opgaan, kan hij alleen nog bij films. Zijn romans bouwt hij langzaam op uit situaties, ideeën en gedachten. Het is iets, wat zich ontwikkelt. Hij werkt niet met ver uitgewerkte schema’s. Dan is de spanning weg.

Hoe vindt hij het dat hij door Pieter Steinz de nieuwe Mulisch is genoemd? “Wel aardig als je pas begint.” Maar het is volgens hem tegenwoordig een hype om schrijvers te vergelijken en in lijstjes te zetten: “De beste tien schrijvers van onder de veertig”, en dat soort flauwekul.

De avond was vooral een voorleesavond. Meer evenwicht tussen het lezen van de teksten zelf en het vertellen eromheen in combinatie met vragen, was beter geweest.

Martin Thijssen

David van Reybrouck

23 november | Literair Café Helmond
Door Martin Thijssen | Bekijk de foto's van deze avond!

Een volle zaal voor David van Reybrouck (1971), de schrijver van het boek: “Congo, Een geschiedenis”, dat bekroond is met zowel de AKO - literatuurprijs als de Libris –geschiedenisprijs.

Van Reybrouck, kreeg onder de voortreffelijke regie van interviewer Wim Brands alle ruimte om zijn boek aan de orde te laten  komen,  en in het verlengde daarvan ook thema’s als: “democratie “en “populisme”. Literatuur en het maatschappelijke debat gingen samen. En terecht, want Van Reybrouck is een maatschappelijk betrokken schrijver. Geen drammer, maar een iemand die luistert, analyseert en probeert visies te ontwikkelen. Vanaf 2012 gaat hij de Cleveringa- leerstoel in Leiden bezetten.

Congo. Hij was er nog nooit geweest, en zocht informatie over het land: “Een boek, zoals Geert Mak dat kan schrijven.” Hij vond niets en besloot toen in 2003 zelf het boek te gaan maken. Wat hij in de voormalige kolonie aantrof was verschrikkelijk: “ Ook de komende twintig jaar komt dat nog niet goed.” Hij heeft voor zijn boek vele gesprekken gevoerd, en daarbij eerst geluisterd: “Als je luistert, vertellen mensen.” Het oordelen kwam pas later, bij het schrijven.

Van Reybrouck schetst een beeld van Congo: Een land bijna zo groot als Europa, maar het is geen Europa. Het is een staat, die geen staat is. Je landt ’s nachts op een vliegveld met een aankomst- en vertrekaccommodatie die op een totaal “uitgeleefd jeugdhonk” lijkt. Je rijdt door onverlichte straten. Er heerst een gruwelijke stank van verbrand plastic. Plastic dat gebruikt wordt als stookmateriaal om te koken. Het land is in en in corrupt. De gemiddelde levensduur is slechts 42. Alles gebeurt er eerder, in een korter tijdsbestek: Seks komt eerder, maar ook het doden, het moorden.

“En de oorlog en de kindsoldaten?” vraagt Wim Brands. “Velen zijn willens en wetens de oorlog ingegaan. Hun familie is trots op hen. Natuurlijk zijn er ook kinderen gekidnapt en gedrogeerd, maar velen gingen in eerste instantie vrijwillig. Ze hadden vooraf nobele intenties. Ze dachten iets voor hun land te kunnen betekenen. Maar de uitwerking was gruwelijk.” Van Reybrouck heeft met kindsoldaten gesproken en ze zelf onder elkaar met veel branie over de oorlog horen praten. “Heel de oorlog is eigenlijk een grote grap geweest”, hoorde hij een keer een jongen zeggen. Van Reybrouck zelf maakt de vergelijking met Carnaval, waarbij ook alle waarden op de kop lijken te worden gezet. “Is dat cynisme?”, vraagt Brands. Van Reybrouck: “Ik heb geen talent voor cynisme.” Hij blijft in de Congolezen geloven. Ze verdienen het.

“En de verkiezingen van maandag a.s. in Congo?” vraagt Brands. Van Reybrouck vraagt zich af of ze doorgaan, omdat de stembiljetten er waarschijnlijk niet op tijd zijn. Maar hij vindt het ook een achterhaald idee van democratie, dat, wanneer er vrije verkiezingen zijn geweest, de democratie is hersteld. Wij vergeten volgens van Reybrouck dat wij zelf een paar honderd jaar nodig hebben gehad om tot zo iets als een echte democratie te komen. Het is een eindpunt van een ontwikkeling. Het is iets waar je naar toe groeit.

Er is in Congo volgens hem eerst iets anders nodig. Hulp bij de opbouw van een staat. Er moeten kundige ambtenaren komen. De mensen willen dat ook. Ze zien dit niet als neokoloniale bemoeizucht. Ook de Congolese Bisschoppenconferentie heeft zich in deze zin uitgelaten. Als voorbeeld noemt hij de Congolese Radio waar langzaamaan de Congolezen, na hulp van buitenaf, zelf zijn doorgestroomd naar de top.

Na de pauze kwam de politieke situatie dicht bij huis aan de orde, waarmee van Reybrouck zich intensief bezighoudt. “Vroeger werd een politicus gekozen en kon hij vier jaren blijven zitten en zijn beleid uitvoeren. Nu moet hij door de hyper - mediasering en de sociale media als het ware elke dag opnieuw worden herkozen en heeft hij altijd de komende partijverkiezingen voor ogen. De rust is weg. De politiek moet op deze nieuwe media-situatie een antwoord zien te vinden. De volksvertegenwoordigers raken ook steeds meer van hun potentiële aanhang vervreemd. Ze spreken, onder andere door hun hoge opleiding, de taal van hun kiezers niet meer.

Wat de populistische partijen betreft, is van Reybrouck van mening dat hun kiezers vaak de lager opgeleiden zijn, die maatschappelijk gezien een stapje verder zij gekomen. “Prille stijgers op de sociale ladder”, die bang zijn het stukje veroverde welvaart te verliezen, door onder andere de immigranten. Kortom, het volk vraagt herkenning en erkenning. Van Reybrouck heeft dat onder andere met zijn G1000–manifestatie trachten te bereiken. Met duizend representatief gekozen Belgen is er een weekend lang over de toestand in het land gediscussieerd, wat een politiek waardevol verlanglijstje heeft opgeleverd. De politiek moet weer de taal van de mensen gaan spreken, en vormen van echte nabijheid gaan zoeken. Dat zal niet gemakkelijk zijn.

Met een staand applaus neemt de zaal afscheid.

 

Martin Thijssen

 

Bas Heijne

18 oktober | Literair Café Helmond
Door Martin Thijssen | Bekijk de foto's van deze avond!

“Met de cultuur zit het ondanks de bezuinigingen blijkbaar  toch wel goed in Helmond”, concludeerde Bas Heijne bij het zien van de volle Traversezaal. Maar  hij was wel van mening dat de instandhouding van een gevarieerd  cultureel aanbod mede een taak van de overheid moest blijven: “Dat  kun je niet uitsluitend aan de vrije markt overlaten.” Maar met een bot “ja” of “nee” op de  bezuinigingen reageren, vond hij  weinig productief. Je moest “samen” in overleg tot iets komen. Dat “samen” liep als een rode draad door zijn betoog, waarvan zijn boek “Moeten wij van elkaar houden. Het populisme ontleed.”, het thema aangaf.

Heijne gaat in dit boek op zoek naar de motieven achter het populisme, zoals hij ook in zijn columns altijd zoekt naar verklaringen voor ontwikkelingen. Heijne neemt de zaal mee naar de periode van Fortuyn en Verdonk, de tijd van de opkomende globalisering en de toenemende irritatie over de immigratie, en daaraan gekoppeld de vraag: Waar blijven we als klein landje? Waar blijft onze eigenheid?

Het wordt de tijd van het grote ontwaken. De “leefbaarheidspartijen” komen op. De politiek van dicht bij huis. Het blijkt plotseling niet meer zo vanzelfsprekend dat we in een groot Europa opgaan, met zelfs een Europees volkslied. We zijn trots op ons eigen land, of moeten dat worden. Zie Rita Verdonk. Maar er komen wel steeds meer vreemdelingen. “Ze willen ons het Sinterklaasfeest afpakken”, roept Rita. Groepen voelen zich ontheemd in hun eigen land. Ze hebben niets meer met de buurt waarin ze wonen. De aloude idealen van de Verlichting: gelijkheid, tolerantie, vrijheid, lijken niet langer te worden geaccepteerd. Ze hebben voor groepen geen realiteitswaarde meer. Hun werkelijkheid ziet er anders uit. Wilders komt op en neemt het op voor de niet-gehoorden. Het “populisme” is geboren. Een andere taal, een andere stijl. Het politieke establishment, dat onwennig vanuit een verdedigende houding reageert, wijst vertwijfeld naar de oude waarden. En eigenlijk is dat nog steeds zo.

Bas Heijne, maakt  vervolgens in zijn betoog, waarnaar door de zaal ademloos wordt geluisterd, een overstapje naar de tv- werkelijkheid. Hij wijst op het programma van mr. Frank Visser: “Recht in de Regio”. Gemompel van herkenbaarheid volgt in de zaal. Heijne analyseert het programma dat  boze tot woedende mensen laat zien , die recht zoeken, hun gelijk willen krijgen. Het gaat vaak over onbenullige dingen. Visser zegt dat ook. Vaak krijgen de klagers geen gelijk. Maar ze accepteren dat. “En waarom?” vraag Heijne. “Omdat ze  worden gehoord. Ze zien degene die rechtspreekt. Die zit niet in een bunker. Ze zien het wetboek voor zich. Er is nabijheid.”

Onderzoek in Rotterdamse buurten wijst volgens Heijne uit dat de dieper liggende oorzaak van de onvrede niet zozeer de immigranten zijn, maar het verdwijnen van gemeenschapszin. Mensen voelen zich alleen:  “Het is heel wat anders wanneer je tasje geroofd wordt in een buurt waar jij je een vreemde voelt of in een omgeving die iets met elkaar heeft.”

Onze maatschappij is door het zelfsontplooiingsideaal individualistischer geworden. We wijzen vaker naar de ander. “Het is de ander die het doet of niet doet, en vooral niet goed doet. Jij wilt wel.”

De globalisering is echter  niet tegen te houden, volgens Heijne.  Er komen mensen uit andere landen in ons land en die blijven komen , maar “praat wat minder over hun achtergrond, en zorg eerst voor een goede voorgrond.” Hij vertelt hoe het zijn Poolse, joodse grootvader in Nederland is vergaan, en hoe iedere generatie het beter heeft gekregen. “En de bijdrage van de politiek aan de oplossing van het vraagstuk ?” , luidt een vraag uit de zaal. Heijne:  “Wilders laat zien wat voor een land hij wil. Laten  de andere partijen  daar ook een visie  op lange termijn tegenover stellen.  Nu is het vaak de waan van de dag die bepaalt wat er gebeurt.”

En wat het Verlichtings-ideaal betreft.  Gelijkheid, tolerantie, vrijheid, zijn niet achterhaald. Het gaat erom  die begrippen opnieuw  inhoud  te geven. “Hoe kun je het ideaal van individuele vrijheid huldigen, in het besef dat de mens ook altijd naar geest- en gevoelsverwanten op zoek is. Dat hij ook altijd deel van gemeenschappen zal willen uitmaken.”  Daar gaat het om, volgens Heijne. Daarmee  zou ook de politiek zich moeten bezighouden.

Een uitermate boeiende avond.

Martin Thijssen

Abdelkader Benali

21 september | Literair Café Helmond
Door Martin Thijssen | Bekijk de foto's van deze avond!

Wim Daniëls opent als zeer productieve stadsdichter de avond met zijn mooie, licht ironische Gedicht over Helmond, opgenomen in zijn nieuwste bundel Helmond, een verzameling stadsgedichten.

Abdelkader Benali, de hoofdgast, blijkt een rasechte verteller. Zijn verhaal gaat over zijn zoektocht naar wie hij is en wat hij wil. Dus niet de succesvolle, veelzijdige schrijver staat deze avond centraal.

Zijn Marokkaanse grootmoeder verkocht haar lievelingskoe om zijn vader, na een mislukking, een tweede kans te geven een nieuw leven op te bouwen in Europa. Zo kwam Abdelkader Benali als kind in Rotterdam terecht in een behuizing van 50 m2, met uiteindelijk tien broers en zussen. Bedplassende kleintjes zorgden voor een voortdurende ammoniakstank. De enige boeken in huis waren de koran en het telefoonboek. Vader, havenarbeider en later slager,  liet de post ongeopend liggen. Moeder was ongeletterd. Het vertier was de tv, die dag en nacht aanstond, en waarvoor Abdelkader (slaaf van de machtige ) voor zijn vader de knoppen mocht bedienen.

Benali (1975) vertelt over zijn zoektocht naar zijn identiteit aan de hand van belangrijke bewustwordingsmomenten. Een dergelijk moment is, wanneer hij Thea Beckmans “Kruistocht in spijkerbroek” leest. Het verhaal over de jongen die door een tijdmachine teruggaat in de tijd en daarmee iemand van  twee werelden wordt: de wereld van het heden en van het verleden. Benali herkent zich in de jongen  Hij leeft ook in twee werelden : de Afrikaanse en de West-Europese. Het leven met twee culturen wordt later een terugkerend thema in Benalis boeken, zoals in “Bruiloft aan zee” en “De stem van mijn moeder”.

Jeugdboeken zetten Benali op het leesspoor en door het naschrijven van gelezen verhalen ontwikkelt hij zijn schrijftalent. Maar voordat hij echt gaat schrijven, heeft hij nog een andere richtinggevende ervaring. In 1987 ziet hij op tv de Marokkaanse wereldkampioen hardlopen: Saïd Aouita. Vanaf dat moment wil hij hardloper worden. Dit ziet hij als een mogelijkheid om meer te bereiken dan zijn ouders. “I will and I can” Toch is hij schrijver geworden. Zijn debuut, “Bruiloft aan zee” was een bevrijdende doorbraak van zijn schrijftalent. Taal speelt een belangrijke rol voor Benali. Taal is mooi, als je voelt dat het geschrevene “voor nu en altijd” is. Hij verwijst naar de taal van de koran die hij op de koranschool in Rotterdam heeft leren kennen en die voor hem “het tegenwoordige en het eeuwige” presenteert.

Maar ondanks zijn schrijversschap, is hardlopen diep in zijn hart nog steeds dat wat hij eigenlijk wil, maar waarvoor hij onvoldoende talent heeft om de echte top te bereiken. Benali kan lyrisch over hardlopen vertellen, zoals hij dat in zijn roman “Zandloper” laat zien. “Is hardlopen dan niet saai?”, vraagt iemand : “Schrijven is saai. Je bent in jezelf gekeerd bezig.” Als hardloper, legt hij uit, communiceer je met de natuur, de medemens en je lichaam, en uiteindelijk word je een met je ademhaling.

Een mooie avond in een volle zaal!

Martin Thijssen



Lid worden?

Vanaf € 60.- bent u donateur van het Literair Café Helmond. U heeft gratis toegang tot onze 6 literaire avonden en mag bovendien gratis 1 introducé meenemen. Zo bespaart u 50% ! Ook ontvangt u voor elke avond informatie over de schrijver (per email en eventueel per post).

Nieuwe donateurs kunnen zich aanmelden via het aanmeldformulier op deze website of bij het secretariaat:

Wethouder van Wellaan 142
5703 CN Helmond
Tel. 0492 532496

Losse kaartjes kosten € 10,00 (tot 18 jaar € 5,00)
Kaarten zijn alleen aan de zaal verkrijgbaar.
Reservering van plaatsen is niet mogelijk.