Annejet van der Zijl: Biografieën als spannende verhalen.

14 april 2015 | Literair Café Helmond
Door Martin Thijssen | Bekijk de foto's

“Biografieën moet je los van de persoon, als spannende verhalen kunnen lezen’, aldus. Annejet van der Zijl die na twaalf jaar voor de tweede keer gast is in het Literair Café Helmond. Ze vertelde haar eigen schrijversbiografie als een uitermate boeiend verhaal aan een ademloos luisterende zaal. Een geweldige avond.

Ze was al vroeg een echt “leeskind”. In boeken kon je “wegkruipen in een wereld die groter en meeslepender was” dan “het saaie Friese land”. Ze wilde  journalist worden. Weg van huis, de wijde wereld in. Oriana Fallaci was haar grote voorbeeld. Maar tijdens haar studie journalistiek in Londen krijgt ze heimwee. Terug naar Nederland. Ze heeft in Londen wel veel biografieën gelezen, biografieën  geschreven als spannende verhalen. Dat is haar bijgebleven.

Misdaadverslaggeefster
Na andere studies in Nederland, begint ze als “misdaadverslaggeefster”, op zoek naar “de reden” achter een misdadig mens. “Waardoor wordt een mens een schurk of een held?” De nieuwsgierigheid naar “de reden” achter levens van mensen loopt als een rode draad door haar werk. Na een reeks “misdaadartikelen”–  spannend, maar op den duur wel droevig want het loopt altijd slecht af – gaat ze achtergrondartikelen over kunstenaars schrijven. Maar haar redacteur wil dat ze scoort met “nieuws” en niet met mooie achtergrondverhalen. Maar ze is geen nieuwsjager.

Zo vertelt ze hoe ze in gesprek met de bierbrouwer en kunstverzamelaar Freddy Heineken toevallig hoort dat Prins Alexander en zijn nieuwe vriendin bij hem hadden gegeten. Ze neemt  dat in een bijzinnetje in haar artikel over Heineken op, niet beseffend dat de NIEUWE VRIENDIN VAN ALEXANDER het grote nieuws is. Een medewerker van de “Telegraaf” leest haar artikel en maakt er een vette krantenkop van. Ze krijgt van haar woedende redacteur te horen dat als er geen “echt nieuws” komt, ze kan vertrekken.

Jagtlust
Intussen schrijft ze haar eerste roman “Jagtlust”,  genoemd naar de Gooise buitenplaats die in de jaren vijftig en zestig een roemruchtig artistiek broeinest was. Het is een boek over kunstenaars die het leven “als het ware opnieuw uitvinden”. Het boek wordt een succes. Ze heeft ook een kanttekening. Het boek weerspiegelt een tijdsgeest. De geest van de zelfontplooiingsgeneratie. Alles moest kunnen. “Je ging zelfs scheiden omdat iedereen het deed en het goed was voor je ontwikkeling.” Maar met de kinderen van de “zelfontplooiers” is het  nogal eens niet goed afgelopen. De tijdsgeest  ziet ze als een zeer bepalende factor voor kinderen.

Anna
Haar volgende boek “Anna” gaat over Annie MG. Schmidt (2002). Ze is niet met haar werk opgegroeid. Dat was toen uit de tijd. Maar ze ziet een tv-programma over haar. Ze voelt dat  achter de vrouw een ander verhaal zit. Van haar zoon  Flip krijgt ze al haar brieven. Waarom zij? Ze was de eerste die niet gezegd had “wat een fantastische moeder” hij had. De zoon wilde via haar boek zijn “echte” moeder leren kennen. 

Sonny Boy
Haar volgende – enorme succesboek – “Sonny Boy” is de  reconstructie van een dramatisch liefdesverhaal tegen de achtergrond van de Tweede Wereldoorlog. Haar vraag bij dit boek was: “Wat maakt mensen tot helden?” Het antwoord hier luidt:  “Als je veel liefde ontvangt, kun je ook veel geven.”  

Bernhard
Het boek “Bernhard” over  prins Bernhard  is ontstaan na het lezen van Sebastiaan Haffners boek : “Het verhaal van een Duitser”. Ze vond de prins – een generatiegenoot van Haffner – niet geloofwaardig als hij het deed voorkomen alsof hij destijds thuis gevrijwaard was geweest van nazisme, armoede en verval. Was hij een deugniet of een held?  “Toch ook wel een deugniet. Juliana wilde een sprookjesprins en hij maakte er een sprookje van”.

Heineken
“Heineken”, het boek over Gerard Heineken de grondlegger  van de brouwerij  is een “tussendoortje”  geweest. Hier werd een familiegeheim achtergehouden. Ook dat heeft ze boven water gekregen. Nu is ze bezig  met “De Amerikaanse  prinses”, een boek over de  schatrijke Allene Tew die vijf huwelijken vol tegenslagen overleeft. Hoe overleef je dat is hier de achterliggende vraag. Haar boek verschijnt in de herfst.

Naar aanleiding van vragen uit de zaal vertelt Annejet dat ze bij het schrijven vaak afhankelijk is van de medewerking van veel mensen. Die medewerking krijgt ze door mensen open en eerlijk tegemoet te treden. Ze waakt ervoor mensen te kwetsen en te beschamen. De manier waarop je dingen verwoordt kan al veel helpen. Research doet ze zelf en met plezier, want dat houdt vaak reizen in. Teksten leest ze hardop om te horen of de zinnen lopen. Haar echtgenoot is de eerste lezer. Als ontspanning leest ze vaak misdaadromans, ze kan dat goed scheiden van de literatuur die ze voor haar boeken moet lezen. 

Een prachtige afsluiting van een seizoen.

Martin Thijssen

Arthur Japin en Stadsschrijver Abdelkader Benali

11 maart 2015 | Literair Café Helmond
Door Martin Thijssen |

Een boeiende avond voor de bijna zeshonderd bezoekers. Arthur Japin was er deze avond omdat hij door de donateurs van het Literaire Café gekozen was als hun meest favoriete schrijver. Hij was voor de derde keer in het Café. Abdelkader Benali zou een eerste verslag uitbrengen als stadsschrijver.

Dat hij schrijver is geworden, is eigenlijk een wonder, begint Japin. Zijn vader was ook schrijver, maar werd vroeg krankzinnig. Thuis werd Japin in de aanloop naar die krankzinnigheid al vroeg met afwijkend gedrag van zijn vader geconfronteerd. Geen uitnodigend voorbeeld dus.

De regelmatige bezoeken aan zijn vader in de krankzinnigeninrichting, zetten hem aan tot nadenken. Vooral over die ene jongen die zichzelf als orkest dirigerend ,allerlei geluiden makend, door de gangen van de inrichting liep. Specifieke afwijkingen bij  krankzinnigen zou kunnen duiden op een vrijplaats waar ze hun gedachten en gevoelens vrijelijk hun gang kunnen laten gaan.

Schrijverschap en kunstenaarschap “liggen dicht bij gekte”, aldus Japin. Schrijvers en kunstenaars zoeken ruimte los van het normale. Het is de manier waarop “de eenling” zijn gang kan gaan. Dat geldt ook voor de balletdanser Vaslav Nijinsky in  Japins roman “Vaslav”. Als hem die vrijheid ontnomen wordt en anderen hem zijn leven gaan voorschrijven, stopt hij abrupt. Zijn vrije ruimte was als het ware door het publiek en zijn impresario geconfisqueerd. Hij trekt zich terug in zijn waanzin. En pas na een lange ziekteperiode, maakt hij met zijn veel te dikke lichaam in het verborgene nog een keer de sprong met het beroemde zweefmoment. Een stiekem gemaakte foto hiervan heeft Japin in zijn boek opgenomen. 
“Waanzin”als vrijplaats komt op de een of andere manier in al Japins boeken voor.

Op schitterende wijze weet Japin zijn talent als toneelspeler te gebruiken, wanneer hij fragmenten uit zijn boeken voordraagt en naspeelt. Ontroerd word je wanneer hij met zijn toneelspel een indruk geeft van Vaslav’s dansen. De zaal is ademloos. Teksten om te lezen, gaan nu echt leven. Zijn laatste boek “De man van je leven”, noemt  Japin een “wrange komedie”. De stof heeft hij van een tv-uitzending, waarin een vrouw die binnenkort aan kanker zal sterven op zoek is naar een partner voor haar man, zonder dat die dat weet. “Een waanzinnig idee”. De hoofdpersoon gaat in haar naderende einde een gesprek aan met de dood en verschaft haar geest zo verwerkingsruimte.

Abdelkader Benali begint stralend, lachend en energiek met een dichtwerk waarin hij alle kritiek op zijn stadsschrijverschap  humorvol verwerkt: “Benali baalt in Helmond”: “Hij krijgt te veel betaald, hij komt van buiten en is zelfs kaal”. Maar Benali laat subtiel zien wat zijn meerwaarde is. Juist omdat hij nog nooit “petazzie” heeft gegeten en dat nu wel heeft gedaan - “drie borden” - weet hij wat “petazzie” is, en opent als buitenstaander met zijn reactie bij de Helmonder hun blik voor wat “petazzie” eten is, wanneer ze “petazzie”eten. Gedreven en humorvol vertelt hij wat hij gezien en gehoord heeft en wat hij van plan is. Iemand van buiten kijkt toch anders tegen de dingen aan.

Een boeiende avond, waarin ontroering en humor elkaar afwisselden.

Martin Thijssen

Vertalersgeluk: kijken in de keuken van de vertaler.

24 februari 2015 | Literair Café Helmond
Door Martin Thijssen | Bekijk de foto's van deze avond!

Wanneer Nicolette Hoekmeijer, vertaalster en docente aan de Vertalers Vakschool in Amsterdam, de zaal vraagt hoeveel namen van vertalers men kent, komt men niet veel verder dan een of twee. Maar dat is volgens haar geen ramp. Als je heerlijk aan het lezen bent, mag die vertaler ook best onzichtbaar blijven. Het is dan net als bij een gezellig etentje, waar je niet geregeld gestoord wilt worden door bedienend personeel dat vraagt of het smaakt en of alles naar wens is, en de kok zelfs komt opdraven om tekst en uitleg te geven. Dat mag allemaal, maar wel achteraf. Zo is deze avond, aldus Hoekmeijer, bedoeld om de lezer als het ware achteraf een blik te gunnen in de keuken van de vertaler en op deze manier de onzichtbare vertaler zichtbaar te maken.

Vertalen lijkt heel simpel: Als je de vreemde taal goed beheerst en over goede woordenboeken beschikt, kun je zo aan de slag. Je vertaalt wat er staat en weet je een woord niet, dan zoek je dat op.

Nicolette Hoekmeijer laat zien dat het niet zo eenvoudig ligt. In een boek van Melrose dat ze vertaald heeft, zegt iemand die een crematorium binnenkomt: “Thinly attended”. “Geen kunst zult u denken. Daar heb je zelfs geen woordenboek voor nodig.” En ze noemt als mogelijke vertalingen: “Goh, niet druk”. Of: “Niet veel mensen.” Of: “Magere opkomst”, Of: “Ik had meer mensen verwacht.” Nicole Hoekmeijer legt vervolgens uit dat de vertaling van dit schijnbaar eenvoudige zinnetje haar toch heel wat hoofdbrekens heeft bezorgd, want een vertaler heeft ook te maken met een context. Iemand zegt niet zo maar iets vanuit het luchtledige. Het betrof hier een upper class- begrafenis, tijdens het trouwen van Prins Charles. Hoekmeijer kiest als vertaling uiteindelijk voor: “Een schamele opkomst.”

Voor geboeid gehoor komen vervolgens drie vertalers aan het woord, wier boeken dit jaar genomineerd zijn voor het beste boek dat uit een Europese taal in het Nederlands is vertaald: Pietha de Voogd (Italiaans) met “Het zwart en het zilver” van Paolo Giordano; Elly Schippers (Duits) met “Een handvol sneeuw” van Jenny Erpenbeck en Jan Pieter van der Sterre (Frans en Engels) met “Verzonnen leven” van Karine Tuil. Het gesprek wordt voortreffelijk geleid door Alexander Reeuwijk

Allen zijn het erover eens dat een vertaler zich moet inleven in zijn personages en hun omstandigheden, zoals Hoekmeijer al heeft aangegeven.

Zo is Pietha de Voogd bezig met een Italiaanse roman vol militair jargon. Ze was blij toen ze attent gemaakt werd op een boek met interviews met Nederlandse militairen van allerlei rangen en daarmee met de woordkeus van meerderen en ondergeschikten. Een een - op - een -vertaling van het Italiaanse militaire jargon zou lachwekkend zijn geweest voor Nederlanders.

Niet alleen jargon, maar ook zelf verzonnen woorden, taalspelletjes, streekgebonden uitdrukkingen en zeer specifiek taaleigen, kunnen voor een goede vertaling soms tot lang zoeken leiden, en wel op de vreemdste plaatsen, aldus Elly Schippers. Soms moet je kiezen voor een compromis of - uiteraard na overleg met de schrijver - zaken weglaten.

Boeken hebben ook een schrijfstijl met een bepaald ritme of muzikaliteit. Ook dat moet je als vertaler in de gaten houden. De tekst achteraf hardop lezen kan daarbij helpen.

Vooral Engelstalige boeken - en zeker bestellers – vereisen nogal eens een snelle vertaling omdat de lezers ze anders al in het Engels gelezen hebben. Soms gaat dit ten koste van een zorgvuldige vertaling.

In hoeverre mag de vertaler zelf creatief op de stoel van de schrijver gaan zitten? Unaniem was men van mening dat de Nederlandse lezer dezelfde leeservaring verdient als de lezer in de oorspronkelijke taal. Een vertaler moet derhalve niet op de stoel van de schrijver gaan zitten en een eigen schrijfproduct afleveren. Maar wat doe je dan bijvoorbeeld met een groot schrijver die toch een stilistisch slechte tekst of zelfs teksten heeft geschreven? Niet veranderen, want dan wordt, wat Balzac op een slechte namiddag geschreven heeft, een fraaie tekst van bijvoorbeeld de vertaler Jan Pieter van der Sterre. En dat mag niet. Wel geef je jonge schrijvers stijltips en die zijn meestal dankbaar totdat ze bekend en “eigenwijs” zijn geworden. Duidelijke fouten, bijvoorbeeld van inhoudelijke aard, verbeter je in contact met de schrijver. Umberto Eco gaat er zelfs op voorhand vanuit dat zijn vertalers de fouten in zijn teksten verbeteren.

De markt heeft grote invloed. Vroeger werd een heel oeuvre uitgegeven. Nu wordt per boek gekeken hoe een schrijver het doet. Uitgevers die vinden dat een bepaald boek per se moet worden uitgegeven, ook al wordt dat commercieel geen succes, worden zeldzaam.

Een boek moet binnen veertien dagen lopen anders is het over. Tweeduizend exemplaren is ongeveer het minimum om uit de kosten te komen.

Vertalen is nog steeds geen vetpot, maar het kan je wel het vertalersgeluksgevoel bezorgen, telkens wanneer je een moeilijk vertaalprobleem hebt weten op te lossen. Een uitermate boeiende avond, waarop je echt in de vertaalkeuken mocht kijken.

Martin Thijssen

Afscheid van Stadsdichter Wim Daniëls en Abdelkader Benali wordt Stadsschrijver van Helmond

27 januari 2015 | Literair Café Helmond
Door Martin Thijssen | Bekijk de foto's van deze avond!

Een volle zaal voor het afscheid van Wim Daniëls na vier jaar stadsdichterschap. De burgemeester van Helmond, mevr. Blanksma, prees in haar toespraak Wims positieve presentatie van de stad en vooral de wijze waarop hij “de ziel “ van de stad via het lief en leed van de mensen die er leven en werken had weten te verwoorden. De titel “Hartje Helmond” van Wims laatste bundel was haar dan ook uit het hart gegrepen. Als waardering voor zijn grote verdiensten overhandigde ze hem namens het College van B en W. de Stadspenning van Helmond.

In zijn amusante en gevatte dankwoord gaf Wim aan dat je als stadsdichter sympathie moet hebben voor de stad en de mensen die er leven en werken. Hij wees op de enorme groei die de stad heeft doorgemaakt met de verbetering en verfraaiing van de leef- en woonomgeving -“ in mijn jeugd liepen bij mijn “tantanna” de muizen nog over tafel” - en waarbij de mensen van ambtenaar tot de man of vrouw in straat hun gemoedelijkheid en aanspreekbaarheid hebben weten te behouden: “Waar kun je nog gewoon met een wethouder een praatje maken? In Helmond kan dat.” En hij noemt ook de “hartelijke hardvochtigheid van de taal” waarmee de Helmondse mens je omhelst. “Ruwheid en warmte” vallen samen.

En natuurlijk is er altijd wel ergens ook iets mis. Maar de mensen zijn trots op hun stad en met fierheid kunnen ze hun stad laten zien. Je moet die positieve punten ook steeds naar buiten brengen, aldus Wim. Wim zorgt vervolgens voor een spetterende  interactie met de zaal waarbij al- dan niet in dialect- de ene amusante anekdote na de andere volgt, gepaard gaande met even zovele lachsalvo’s. Het is gewoon cabaret.

In een gesprekje met de voorzitter van het literair café werd nog even serieus stilgestaan bij de laatste dichtbundel met veel ontroerende, tedere gedichten, en waarvan de titel is ontleend aan het eerste gedicht:

Hartje Helmond

Bij het kasteel zit ze op een bank
een vrouw met rollator en een boek
gekleed in een zomerse japon
van Van Oorschot Mode (denk ik)
de zon schijnt volop
het boek is een boek met grote letters
het is 13 augustus 2014
kwart over vier

Elders in de wereld zaaien mensen
ook op deze dag
op dit moment
dood en verderf
in Irak, Oekraïne, Syrië, Libië,
Zuid –Soedan, Nigeria
de Centraal-Afrikaanse Republiek
en nog zo wat landen
vanwege een grens
die dertig centimeter
te ver naar rechts zou liggen
vanwege een god die wellicht
niet eens niet bestaat

Bij het kasteel in Helmond
zit intussen dus een vrouw op een bank
met een rollator en boek
gekleed in een zomerse japon

Je kunt minpunten in dit plaatje zien
de rollator
die erop wijst dat ze slecht ter been is
de grote letters 
die duidelijk maken  dat haar ogen 
niet zo goed meer zijn

Maar ik kies voor de pluspunten
de vrouw die daar zit
hartje Helmond
en een boek leest
vredig, niet bang voor kogels
met een boterham die op haar wacht
en een kopje thee, een koekje

Deze vrouw
de niet genomen foto van haar
staat morgen op de voorpagina van de krant
die niet verschijnt.

Aan de ene kant het harde mondiale buitengebeuren en aan de andere kant het vredige, kleinsteedse, menselijke tafereeltje van het Helmondse kasteelpark. Engagement met de mens, is kenmerkend voor Wim Daniëls.

Wethouder Stienen maakt na de pauze de opvolging van Wim Daniëls bekend. Na overleg met het “literair café” is gekozen voor “iemand van buiten”. Bert Kuijpers en Wim Daniëls hebben de stad “van binnenuit” beschreven. Nu zal “iemand van buiten” de stad  als het ware “een spiegel gaan voorhouden”. Gekozen is voor Abdel Kader Benali, schrijver van een belangrijk oeuvre, winnaar van vele literaire prijzen, onder andere de Libris prijs, en maker van TV- programma’s, zoals “Benali boekt”.

Benali, die zich direct voorstelt, wordt met een warm, van instemming getuigend applaus, ontvangen. Zijn titel, wordt: “Stadsschrijver”. Hij verblijft vier keer per jaar een aantal dagen in de stad en doet daar verslag van op zijn facebook-pagina. Vragen en opmerkingen kunnen aan hem doorgestuurd worden via het info-adres op de website van het “Literair Café Helmond”.

De avond, die muzikaal ondersteund werd door “Prelude”, was een avond, waar op een verdiende, waardige wijze afscheid genomen werd van Wim Daniëls als stadsdichter, en waar ook veel te lachen viel: “Weer een mooie avond”, was alom te horen.

Martin Thijssen

Stefan Hertmans

26 november | Literair Café Helmond
Door Martin Thijssen | Bekijk de foto's van deze avond!

“Uw boek ‘Oorlog en terpentijn’ geeft een indringend tijdsbeeld, het is aangrijpend menselijk, uw taal is rijk en u vertelt spannend.” Lovende woorden van de voorzitter van het Literair Café voor Stefan Hertmans, die met zijn boek “Oorlog en terpentijn” de AKO-literatuurprijs van dit jaar won.

Stefan Hertmans is niet alleen in zijn boek maar ook op het podium een begenadigd verteller, maar hij kan ook prachtig voorlezen, zoals  met name blijkt bij het lezen van het indrukwekkende slot van zijn boek. De ruim 500 bezoekers luisteren ademloos en niet iedereen houdt de ogen helemaal droog.

“Oorlog en terpentijn” gaat over het leven van de in 1981 op negentig jarige leeftijd overleden grootvader van Hertmans. Het basismateriaal voor het boek bestaat uit zeshonderd pagina’s handgeschreven memoires, die zijn grootvader hem kort voor zijn dood gaf.

Hertmans laat een projectie zien van enkele pagina’s. “Ze bestaan dus echt “, merkt hij op, daarbij duidelijk verwijzend naar personen die het bestaan van de memoires in twijfel hebben getrokken.

Hertmans vertelt hoe hij de memoires van zijn grootvader pas dertig jaar later onder druk van een knagend geweten en met het herdenkingsjaar 2014 in zicht voor het eerst heeft gelezen en daarna heeft bewerkt, aangevuld met eigen herinneringen en de resultaten van eigen naspeuringen. Het boek dat zo ontstaan is, is in feite een drieluik: de armoedige  en vernederende jeugd van zijn grootvader als eerste zijpaneel, gevolgd door zijn tijd als soldaat in de grote oorlog - het grote middenpaneel- en daarna, als afsluitend zijpaneel, zijn leven als vroeg gepensioneerde oorlogsinvalide met als hobby schilderen.

Wat zijn grootvader zelf onbelangrijke” familiegeschiedenis” noemt, heeft Hertmans in een breder perspectief geplaatst, zodat het de privégeschiedenis overstijgt en er een tijdsbeeld ontstaat: “kleine geschiedenis ,wordt zo grote geschiedenis”. Aan de andere kant heeft hij de “Grote Oorlog” teruggebracht naar de “gewone soldaat”. Hij heeft de “smerige oorlog”, waarin Duitsland het neutrale België binnenvalt om het als doorgangsland te gebruiken om Frankrijk achterom aan te vallen, op deze wijze heel mensnabij willen beschrijven: vanuit de angsten en verschrikkingen van de kleine Vlaamse held in de stinkende loopgravensmurrie.

Hertmans mitigeert het verhaal dat de Waalse officieren veel Vlamingen de dood zouden hebben ingejaagd door hun in het Frans gegeven, en dus voor veel Vlamingen niet te verstane, bevelen. De meeste Vlamingen verstonden volgens Hertmans genoeg Frans om de bevelen te begrijpen. Waarschijnlijker is dat juist Walen uit achterafdorpjes, die alleen beperkt Waals dialect kenden, niet in staat waren de in het Frans gegeven bevelen te volgen.

Hij wijst er ook op dat de klassentegenstelingen, en daarmee ook de tegenstellingen tussen Walen en Vlamingen, door de Grote Oorlog duidelijk verscherpt zijn. De bevelvoerders kwamen vaak uit de hogere klassen en dat waren toentertijd vaak Walen.

Kunst speelt in het boek heel functioneel een rol, vooral kerkelijke kunst. Hertmans bewondert het katholieke geloof om de plaats die de kunst daarin inneemt. De beelden en afbeeldingen brengen het geloof als het ware een trede lager bij de mensen. Dit in tegenstelling tot de het protestantisme dat alleen “de hoge patriarch” als aanspreekpunt kent. De katholiek heeft lager al aanspreekbare bemiddelaars. Vlamingen hebben wellicht vanuit hun katholieke geloof een “sentimenteel gevoel voor beelden”, aldus Hertmans.

Het was een uitermate boeiende en verrijkende avond.
Martin Thijssen

Lieve Joris

28 oktober | Literair Café Helmond
Door Martin Thijssen | Bekijk de foto's van deze avond!

Azië en Afrika, twee continenten die geen koloniaal verleden delen, ontmoeten elkaar. Wat gebeurt er dan? Dat was de vraag waarmee Lieve Joris de reis begon voor haar alom geprezen boek: “Op de vleugels van de draak”(2013).

Ze is net terug van een drukke promotietour in Frankrijk naar aanleiding van de Franse vertaling van haar boek, maar sprankelend en enthousiast begint ze haar verhaal voor de bijna vijfhonderd bezoekers. Precies eenentwintigjaar terug was ze al eerder in het Literair Café. Ze heeft haar schare trouwe lezers, die later met vragen zullen komen over hoe het afgelopen is met haar vriendin in het boek: “De poorten van Damascus”. Ze zal dan vertellen dat haar vriendin naar Dubai is gevlucht en dat haar echtgenoot als gevolg van een in de gevangenis in Syrië opgelopen en verwaarloosde tuberculose is overleden.

China, zo vertelt Lieve Joris, is de grootste handelspartner van Afrika. China ziet Afrika als grondstoffenleverancier en toekomstige economische grootmacht. De Chinezen - van de kleine sjacheraars tot de grote projectonderhandelaars op regeringsniveau - komen de Afrikaanse landen binnen. De Afrikanen op hun beurt, profiteren van de contacten en zetten op “de vleugels van de draak” ook steeds vaker voet op Chinese grond, gaan banden aan, vestigen zich daar en trouwen daar zelfs.

Smeuïg vertelt Lieve Joris hoe achterlijk soms nog de vooroordelen over en weer zijn, maar ook hoe men deze allengs heeft leren pareren en hoe men langzaamaan elkaars sterke en zwakke punten ziet, en van elkaar wil leren, en dat we dat Europese, als koloniaal ervaren, opgestoken vingertje maar eens moeten weglaten.

De landen komen er zelf wel achter hoe het beter kan, en zullen zelf wel hulp vragen, ook Europese. Ze is daar niet zo pessimistisch over. De tijd dat enerzijds de Chinezen zich verslikken in gigantische bouwprojecten en de Afrikanen opgescheept zitten met opgeleverde werken die ze vervolgens niet kunnen managen, is langzamerhand voorbij. Er zijn eigen mensen genoeg die zien wat fout gaat, ook wat de corruptie betreft, maar alles heeft tijd nodig.

Lieve Joris begint haar reizen altijd zoveel mogelijk onbevooroordeeld. Ze gaat in het land zelf op zoek naar “personages”, die haar van binnenuit, als het ware door de ogen van de mensen zelf, het land doen leren kennen. Ze vindt die personages bij toevallige ontmoetingen. En dan weet ze intuïtief dit is een “personage” met een verhaal voor mijn boek.

Ze klampt zich aan hen vast als “een escargot” en volgt hen, maandenlang, dag en nacht, observerend en registrerend. Ze woont, eet en slaapt bij hen en feest met hen. Er ontstaat zo een “caleidoscopisch beeld van binnenuit. Je wordt zo als lezer binnengeleid in de intimiteit van het leven van de kleine handelaars (“commerçanten”) met hun uit China of Afrika geïmporteerde producten in hun piepkleine winkeltjes, maar je leert ook de mensen kennen die het gemaakt hebben en ook het leven en denken van de kunstenaars en intellectuelen, en ook dat van de al dan niet corrupte regeringsfunctionarissen. Je hoort wat de mensen onderling, en als Chinezen en Afrikanen over elkaar vertellen: hun leven, hun leiders en hun ideeën over de toekomst.

Dit levert een schat aan materiaal op. Soms wel eens zoveel dat ze denkt dat het haar ontglipt. Ze legt alles aan de lezer voor zonder al te veel eigen interpretatie, maar ze probeert wel instinctief onder de actualiteit de onderstroom te ontdekken, die uiteindelijk richtinggevend zal blijken. Een sprankelende, boeiende avond.

Martin Thijssen

Ilja Leonard Pfeijffer

24 september | Literair Café Helmond
Door Martin Thijssen | Bekijk de foto's van deze avond!

Je leert toevallig een stad kennen. Je wordt smoorverliefd op die stad. Je wilt er zelfs een boek over schrijven. Het boek verschijnt en krijgt een belangrijke prijs. En dat is wat de schrijver, Ilja Leonard Pfeijffer, is overkomen. De stad heet Genua, bijgenaamd la Superba, de schitterende, de overmoedige, maar ook de ongenaakbare, hooghartige. Het boek met als titel “La Superba” wordt bekroond met de Librisprijs 2014.

Ilja Pfeijffer is de eerste gast van al weer het 25-ste seizoen van het literair café. Hij vertelt dat “La Superba” zijn verschijnen dankt aan de uitvoering van een weinig overdacht plan om met zijn vriendin met de fiets naar Rome te gaan. Via een niet gebruikelijke weg daarheen kwamen ze ook in Genua terecht. Die fietstocht is beschreven in de “Filosofie van de heuvel.” (2009).

De stad Genua werd door Pfeijffer direct in liefde omarmd. Wat hem aantrekt in Genua is “het rauwe” van het historische centrum met zijn eeuwenoude gebouwen, zijn trappen, steegjes en krochten. Het is het deel dat ook het “afvoerputje” is voor “het uitschot” van de stad . Er komen niet veel toeristen. Het is er gevaarlijk. Het is ook de wijk van de hoeren ,pooiers en travestieten. Pfeijffer voelt er zich thuis. “Trekt het morbide u misschien aan?”, vraagt iemand uit de zaal. “Het is het rauwe”, herhaalt Pfeijffer, “maar het is als met de liefde, het is moeilijk uit te leggen, waarom je op iemand verliefd bent.”

Pfeijffer woont er al zes jaar en hij wist van meet af aan dat hij een boek over de stad zou schrijven. Maar dat had toch een lange incubatietijd. Hij wilde eerst naar de stad “ luisteren” en weten “wat de stad van hem wilde.” Pfeijffer legt uit dat Genua als havenstad ook altijd een migratiestad is geweest. Miljoenen Italianen hebben destijds voor de Tweede Wereldoorlog van hieruit de tocht naar “het beloofde land” Amerika gemaakt. Nu is het de stad die voor de Afrikanen toegangspoort is geworden tot “het beloofde land” Europa, het Dolche-Vita-sprookje.

Met duizenden, al dan niet als bootvluchteling, komen ze aan en “verdwalen in hun sprookje”. Pfeijffer vertelt dat “La Superba” eigenlijk en verzameling verhalen is, waarin mensen aan het woord komen die in hun sprookjes verdwaald zijn. Mensen die denken elders het “dolce vita” te hebben gevonden. Hij leest het bittere verhaal voor van de Senegalese bootvluchteling Djiby. De jongen is opgevoed met een beeld van Europa als luilekkerland, waar je niet hoeft te werken en je het geld uit de automaten kunt trekken. De familie heeft geld ingezameld voor de bootovertocht. Het is een investering, want iedereen die de overtocht haalt, wordt rijk en in zijn rijkdom deel je. Djiby komt met elf anderen op een kamer tussen de ratten terecht. Maar hij moet het sprookje in stand houden dat ook hij rijk is geworden. Hij stuurt het thuisfront geld, dat hij niet heeft en dus moet lenen, maar niet kan terugbetalen. Hij kan niet terug, want er is nooit iemand teruggegaan. Ze hebben het allemaal gemaakt, dat is het sprookje en zo verdwalen ze, raken ze steeds verder in de goot, maar het sprookje houden ze allemaal in stand.

Na de pauze leest Pfeijffer gedichten voor uit zijn in januari te verschijnen bundel: “Idyllen”, “Een primeur voor Helmond” Hij leest ze intens voor. Prachtige gedichten in een klassieke strakke vorm, met een helder en modern taalgebruik, met mooie beelden en eigentijdse thema’s, verrassend gebracht. Geen duistere poëzie. De zaal is enthousiast en onderstreept dat met herhaald applaus. Ilja Pfeijffer dankt de zaal. Het was hem een genoegen en een eer om in Helmond te zijn en dat was het voor de zaal om hem te mogen ontmoeten.



Lid worden?

Vanaf € 60.- bent u donateur van het Literair Café Helmond. U heeft gratis toegang tot onze 6 literaire avonden en mag bovendien gratis 1 introducé meenemen. Zo bespaart u 50% ! Ook ontvangt u voor elke avond informatie over de schrijver (per email en eventueel per post).

Nieuwe donateurs kunnen zich aanmelden via het aanmeldformulier op deze website of bij het secretariaat:

Wethouder van Wellaan 142
5703 CN Helmond
Tel. 0492 532496

Losse kaartjes kosten € 10,00 (tot 18 jaar € 5,00)
Kaarten zijn alleen aan de zaal verkrijgbaar.
Reservering van plaatsen is niet mogelijk.