Dick Swaab

 

16 april | Literair Café Helmond
Door Martin Thijssen | Bekijk de foto's van deze avond!

Bijna zeshonderd bezoekers waren er op de avond met als gast professor Dick Swaab, de internationaal befaamd neurobioloog en schrijver van: “Wij zijn ons brein”

Prof. Swaab gaf, zoals hij zelf zei, een “college” waarbij hij de topics uit zijn boek de revue liet passeren. Zijn uitgangspunt is dat van ieder mens al in zijn baarmoederlijke brein in essentie wordt vastgelegd wat hij later is. En heeft de (opvoedende ) omgeving dan geen invloed? Jawel, maar die invloed is volgens Swaab veel minder dan wij vanuit ons optimistische maakbaarheidsdenken altijd verondersteld hebben of stellig hebben beweerd, zoals de feministische beweging dat gedaan heeft met de stelling dat jongens en meisjes door hun opvoeding typisch jongens- of meisjesgedrag gaan vertonen. Hard onderzoek laat zien dat sekseverschillen in ons gedrag met de samenstelling van ons brein te maken hebben. Ook jonge apen hebben afhankelijk van hun sekse bijvoorbeeld andere “speelgoedvoorkeuren”, vergelijkbaar met mensenkinderen.

Ons geslacht en seksuele voorkeur zijn vastgelegd in ons brein. Experimenten tonen aan dat je dat niet kunt veranderen. Hij noemt het voorbeeld van het jongetje dat door een operatieve fout als baby zijn penis verloor en toen “tot meisje werd gemaakt” en zo werd opgevoed, maar in haar brein een jongen bleef en later “terugveranderd” is. Homoseksualiteit heeft bijvoorbeeld niets te maken met een dominante moeder. (“Wie heeft trouwens geen dominante moeder gehad?”) Alle therapieën om homo-erotische gevoelens te niet te doen , hebben dan ook tot nu toe niets opgeleverd.

Swaab is als wetenschapper helder: Wat niet hard bewezen is, telt niet. “Maar Dr. Swaab de mens heeft toch ook een hart, waaruit gevoel kan spreken?” Antwoord: “Een hart is een pomp, meer niet. Emoties komen evenals gedachten traceerbaar en aantoonbaar uit je brein.” Swaab laat aan talloze vormen van menselijk (deficiënt)gedrag zien dat die allemaal zijn terug te voeren op “hersendelen” die we wel of niet hebben, of in meer of mindere mate hebben , of anders gevormd dan normaal, etc. Kortom, de verschillen in gedrag zijn neurobiologisch “verklaarbaar”.

Juist omdat de eerste ontwikkelingsfase van de vrucht in de baarmoeder zo belangrijk is voor het brein, reageert Swaab fel op fout gedrag in die fase: roken en drinken tijdens de zwangerschap, verkeerd medicijngebruik (overdosering) ,etc. Hij wijst in dit verband ook op een mogelijk samenhang tussen milieu (fijnstof) en het al in de baarmoeder ontstaan van autisme.

Swaab ergert zich aan de onkunde van politici, en hun stoere populistische taal zoals: “Je hebt je lot in eigen hand”, “Eigen schuld dikke bult”, “Als je maar wilt, kun je het” en “Flink aanpakken die hap”, waar het om straffen gaat. Hij laat zien dat sommige groepen mensen niet alles kunnen of niet anders kunnen. Bijvoorbeeld de “rugzakjes” die men nu weer wegbezuinigd heeft. Ook wordt vergeten dat mensen met hun brein pas volwassen zijn met 24 jaar en niet met 16 zoals Teeven wil. Hij vindt het onlogisch dat we in het strafrecht vaak eerst straffen en daarna pas behandelen. Veel jongeren worden in een gevoelige leeftijdsfase samen met andere criminelen opgesloten zonder zinnig doel en blijven crimineel. Natuurlijk moeten er regels zijn en moet er gestraft worden, maar dan wel effectief. Derhalve: bied zeker jongeren een opleiding en daarmee perspectief. Het strafsysteem moet op de schop.

Een leerzame, boeiende afsluitende avond. (Van Swaabs boek is ook een uitgave voor jongeren verschenen: “Jij bent je brein”.)


Nelleke Noordervliet

20 maart | Literair Café Helmond
Door Martin Thijssen |  Bekijk de foto's van deze avond!

"Gouden tijden. Zwarte bladzijden."

Als entree stortte de stadsdichter Wim Daniëls zijn gedicht “Helmond of all places” als een ware spraakwaterval over de meer dan vijfhonderd bezoekers uit, terwijl naast hem op het podium de tweeënnegentigjarige dichteres Godelieve Sleegers zat, van wie hij een gedicht uit haar bundel “Poëzie vanuit de Ameideflat” in zijn loflied op Helmond had verwerkt. 

Op bijzonder geestige wijze trachtte Wim Daniëls aannemelijk te maken dat Helmond met zijn allochtonen uit bijna tweehonderd landen toch echt wel het predikaat “kosmopolitische stad” verdiende en zich daarom terecht kon scharen onder de grote wereldsteden als Parijs New York en Amsterdam.

Daarna betrad Nelleke Noordervliet het podium. Ze loopt even rond, gaat achter de lezenaar staan, op een gewone stoel zitten, ook nog even in een crapaud, en besluit uiteindelijk “gewoon lopend” haar verhaal te doen. Dat verhaal was buitengewoon boeiend. Ze sloot direct aan bij haar boekenweek-essay “De leeuw en zijn hemd”.

De “Stichting collectieve propaganda voor het Nederlandse boek” had waarschijnlijk juist haar gevraagd over het thema “Gouden Tijden. Zwarte Bladzijden” een essay te schrijven, omdat haar laatste roman “Vrij man”over “De Gouden Eeuw” ging. Ze had dus, zo dachten waarschijnlijk de dames en heren van de Stichting, al het nodige voorwerk verricht, want “Gouden Tijden” zou toch onontkoombaar ook over “De Gouden Eeuw” moeten gaan. Ze kon dus in de slechts drie maanden die ze beschikbaar had het verlangde essay wel schrijven.

“Onze nationale identiteit” is een belangrijk thema in Nelleke Noordervliets essay “De Leeuw en zijn hemd”. Helder legt ze uit dat “De Gouden Eeuw” echt een bloeitijd is geweest. “We waren een grootmacht: onoverwinnelijk ter zee en een machtige handelsnatie met onze V.O.C. en later W.I. C. Kunst en cultuur waren toonaangevend in de wereld. We hadden denkers van wereldformaat en we waren tolerant. Overal in het land was er bedrijvigheid, steden waren bouwputten. Er was werk en dus welvaart . De “Gouden Eeuw” is altijd ons ijkpunt gebleven.” Ze wijst in dit verband naar Balkenendes uitspraak: “We zouden wat meer van de VOC-mentaliteit moeten hebben, toch?” En vooral dat “toch” deed het hem. Toch twijfel, bij de minister president?

Ze legt uit dat puur geluk en ook pure welvaart niet bestaan. “Dat zou ook maar saai worden.” Daarom luidde het opgedragen thema voor haar essay ook “Gouden Tijden .Zwarte bladzijden”. En die “Zwarte bladzijden” waren er: De kolonisatie met plundering en slavenhandel. Onze koloniale politiek van toen is ons tot op heden blijven achtervolgen. Maar we drukten het weg . Een tijdlang lukte dat.  

Na “De Gouden Eeuw” kwam de neergang. We waren de weg kwijt. Dieptepunt was de inlijving door Napoleon, die het land uitzoog. Met de “Industriële Revolutie” kwam er weer welvaart. En wat we niet hadden, haalden we uit “ons Indië”: “moesten ze daar maar wat harder werken”. Dat was toen de manier om begrotingstekorten aan te vullen. Maar met de Tweede Wereldoorlog veranderden de tijden. “Ons Indië” werd in 1949 een onafhankelijke republiek. We hadden het zo goed bedoeld, we wilden geleidelijk afstand nemen, want “Indië verloren, rampspoed geboren.” Maar het liep anders. Er kwam een opstand. De wereld was tegen ons. We probeerden het nog een keer bij de Antillen en Suriname; Grote Broer die geleidelijk afstand neemt, maar dat werkt niet. Er blijft rancune jegens de voormalige kolonisatoren. De Indonesiërs zijn trotser. De Nederlanders zijn ze al bijna vergeten. Komt dat omdat ze zichzelf hebben vrijgevochten, en de Antillen en Suriname niet?

En waar zijn we nu anno 2013 als natie? Wat stellen we nog voor? Langzaam zijn we een deel van Europa geworden. Ongemerkt bijna. En multicultureel. En nu gaan we ons weer afvragen wie we zelf zijn en wat we willen. Kortom wat is onze nationale identiteit? Op een vraag uit het publiek of we niet beter uit Europa kunnen stappen, en zo echt getuigend van een V.O.C.- mentaliteit, antwoordt Nelleke Noordervliet dat politiek niet haar vak is, hoewel journalisten denken dat schrijvers over alles kunnen meepraten, maar dat ze wel vindt dat een bezinning nodig is. 

Nelleke Noordervliet leest het begin voor uit haar roman “Vrij man”. Ze kan dat . De zaal hangt aan haar lippen. Alsof ze een toneelrol speelt. Ze vertelt dat ze aanvankelijk een literair-historische thriller wilde schrijven. Meeliften met Saskia Noort, enzovoort. Ze lacht. Maar zo’n roman kan ze niet schrijven. In “Vrij man” zitten wel misdaad, spionage, geweld en seks, maar ook liefde. Het is een spannend historisch boek met de kopstukken uit “De Gouden Eeuw”, zoals de gebroeders de Witt in hun machtstrijd met de Oranjes. Ze zegt dat je als mens van nu nooit kunt voelen en denken als iemand uit de “Gouden Eeuw”. Je probeert dat wel, maar dat lukt je nooit. Het blijft een benaderen van het verleden. De vragen die je stelt zijn de vragen van nu. In de roman “loopt”de schrijver, anachronistisch, met de hoofdfiguur mee en stelt zijn vragen. Voor het boek heeft ze ontzettend veel gelezen en is ook op locaties is geweest. Ze vertelt ook dat het boek omwille van de spanning een mix is van psychologie, filosofie, metafysica en sociologie. Die spanning moet er volgens haar bij fictie zijn. Ze sluit af met voorlezen, prachtig. 

Een geweldige avond met een enthousiast, welverdiend applaus voor Nelleke Noordervliet, voor de tweede keer gast in het Literair Café Helmond.

Luc Devoldere

20 maart | Literair Café Helmond
Door Martin Thijssen | Bekijk de foto's van deze avond!

Een erudiete man en een begenadigde verteller, dat is de Vlaming Luc Devoldere (1956), de schrijver van onder andere “Wachtend op de Barbaren” (2002), “Mijn Italië” (2006) en het onlangs verschenen: “De as van Gramsci” (2008). 

In het kader van een samenwerking tussen de “Stichting Luigi Pirandello” was hij de gast van het literaire café. Zijn komst op het podium deed in eerste instantie denken aan een degelijke professor die zijn college begint. Maar dan wel een – dat bleek al gauw- die los van papier en ongelooflijk boeiend en met veel smeuïge anekdotes zijn verhaal brengt. De volle zaal luisterde ademloos, kon lachen en zong zelfs het prachtige partizanenlied “O bella ciao”mee , toen de Devoldere dat ter afsluiting ten gehore bracht, waarna terecht een daverend applaus volgde.

“Italië bestaat niet”, begon hij intrigerend. “Het is geen echte natie. Echt gemeenschappelijk is alleen de espresso. Die zetten ze blijkbaar allemaal op dezelfde manier en op hetzelfde apparaat en die kun je nergens ter wereld zo krijgen, ondanks alle moderne koffiezetapparaten die er op de markt zijn. Wie eenmaal in een Italiaans barretje de espresso heeft geproefd, zal mij bijvallen”, aldus Devoldere.

  Italië, legt hij uit, bestaat uit steden en gebieden die op historische gronden totaal niets gemeenschappelijks hebben. Hij noemt als voorbeelden Genua, Sicilië met Palermo en Venetië. Italië kent verder de keiharde opdeling in Noord en Zuid, wat in de politiek en volksmond staat voor: rijk en arm, verdieners en profiteurs. Pas in 1871 is het land door Garribaldi staatkundig één land geworden.

Men koos toen voor een monarchie. Maar de koning is na de oorlog afgezet wegens banden met het fascisme. Dat fascisme is er nog overal tot in het parlement, maar ook in de nog vele bouwwerken in Rome, die onder de dictator Mussolini tot stand zijn gekomen en nu ook nog vaak als musea dienen. En zie het graf van de dictator. Een mausoleum lijkt het, bewaakt door zwarthemden. Mussolini bezorgde de paus zijn kerkelijke staat, waarmee de weerstand van die kant ook was weg genomen. En de Italianen betalen er tot op de dag van vandaag nog voor.

Devoldere legt uit dat de Italianen niets met hun staat hebben. Ze wantrouwen hun overheid en proberen die een loer te draaien waar het kan. De plek van het grootse onheil is Rome, de stad die alleen consumeert en niets produceert. Het is de stad waar de regering zetelt en de bureaucratie, en niet te vergeten -op hun eigen staatkundige plek- ook de katholieke kerk. De communisten zijn als politieke macht inmiddels verdwenen, want die waren lang de andere macht in de staat. De VS hebben er altijd voor gezorgd dat de communisten niet echt regeringsverantwoordelijkheid kregen. De katholieke kerk echter, kan nog steeds een politicus aan de macht helpen of aan zijn val bijdragen. Berlusconi had aanvankelijk de steun van de kerk door tegen abortus en tegen het homohuwelijk te zijn, maar na zijn affaires verloor hij deze steun. Maar hij komt terug, althans dat probeert hij.  

Devoldere legt uit dat Berlusconi een echte Latino is, een macho, die nog steeds door veel vrouwen wordt aanbeden en door veel mannen wordt gezien als degene die ze zelf graag zouden willen zijn. “Clinton ontkende zijn seks met Monica, maar Berlusconi gaat prat op zijn seksleven, alleen hij liegt als hij zegt dat hij niet voor zijn seks betaald heeft. Dat is zijn zwakte, maar ook dat wordt hem vergeven.”

Berlusconi- de vroegere stofzuigerverkoper- de miljardair die alle nieuwsmedia in zijn macht heeft, is ook de man van de ‘Bella figura’, de Italiaanse man die er graag tip top uitziet. De man die in het openbaar niet wil afgaan. De Italiaanse legeruniformen zijn ook de mooiste ter wereld. Dat is altijd zo geweest, en verder heeft het Italiaanse leger ook niets te bieden, sneert Devoldere. Het is de schone schijn die men ophoudt. Italië is ook nog steeds een katholiek land. Als kenmerken van dit geloof- of misschien beter van deze “cultuur” - noemt Devoldere mildheid en hypocrisie. Katholieken leven gemakkelijker .Ze hebben nog steeds de verlossende en vergevende biecht. Ook middeleeuws aandoende geloofsuitwassen zien we nog in Italië en Devoldere noemt de cultus rond de gestigmatiseerde Pater Pio. 

Italianen zijn vindingrijk, creatief. Italië is een land zonder plan. Duitsers hebben een plan nodig. Italianen zijn flexibel, daardoor waarschijnlijk ook crisisbestendiger. Gaat het niet zo, dan doen we het zo. Uiteindelijk komt er altijd een oplossing, een Italiaanse. Zie het gedoe over het mogelijke premierschap van Monti. Na de pauze, na het tonen van prachtige fragmenten van films van Taviani: “Kaos” en Fellini “Roma”, gaat hij in op het thema “De barbaren komen”, het thema van het Pirandello-festival van dit jaar. Hij doet dit naar aanleiding van het boek “De Barbaren” van Alessandro Baricco. 

Devoldere pikt het beeld van de surfer op dat Barrica in zijn boek gebruikt: De surfer die over het wateroppervlak scheert altijd in beweging is en die nooit zal duiken. Zo is ook de surfer op Internet bezig: snel, oppervlakkig, maar nooit diepgaand. Devoldere ziet dat ook als een kenmerk van de moderne mens. De huidige mens moet bezig zijn. Kinderen mogen zich niet vervelen.“Geef ons eindelijk eens verveling, en ga ook eens wat dieper”, wil hij wel eens uitroepen. Verveling betekent incubatie, op ideeën komen. We zouden volgens hem fundamenteel moeten nadenken over wat wij van ons erfgoed willen overdragen. Cultuuroverdracht is onze plicht. Wat willen wij aan onze kinderen vermaken? Daar moeten we ons echt mee bezighouden. Het onderwijs heeft hier een belangrijke taak. De leerling is er om te leren. De leraar is degene die het weet, althans dient te weten. Niet de leerling staat centraal en ook niet de leraar, maar de kennisoverdracht. We moeten niet aansluiten bij de leefwereld van de leerling, dat wil de leerling helemaal niet, maar we moeten juist iets hoger grijpen. We moeten ergens voor staan en gaan. En misschien kunnen we inderdaad niet alles behouden. Misschien moeten we wel accepteren dat bepaalde zaken vergaan, voorbij zijn, niet in stand zijn te houden. Dat Pompeï misschien uiteindelijk toch helemaal in verval raakt. Wel een gewaagde uitspraak, zegt hij zelf. Devoldere leest vervolgens het gedicht van de Griekse dichter Kafavis voor: “De Barbaren komen”. Hij laat zien dat barbarisme in cultureel opzicht ook een gezonde, de mens wakker houdende, tegenkracht kan zijn. De cultuurbarbaren dwingen ons tot nadenken. Devoldere is geen cultuurpessimist. We moeten wel kritisch blijven. En: cultuuroverdracht is onze opdracht. 

Een geweldige avond!

Peter Buwalda

28 november | Literair Café Helmond
Door Martin Thijssen | Bekijk de foto's van deze avond.

Geen tekst en geen boek bij zich, stapt Peter Buwalda op het podium en gaat achter de lezenaar staan. Een paar seconden kijkt hij verbaasd de zaal in. “Zo’n volle zaal, dat is de eerste keer,” zegt hij. Hij heeft de plek achter de lezenaar intussen verlaten: “Ik loop liever wat rond.”

Schijnbaar uit de losse pols begint Buwalda ( Blerick 1971) zijn verhaal over het ontstaan van zijn uiterst succesvolle roman “Bonita Avenue”. Buwalda vertelt hoe hij - van beroep redacteur en journalist , maar ook manisch lezer, met als favorieten  Philipp Roth, Jonathan Franzen en Tom Wolfe-  met het schrijverschap is begonnen. Hij doet dat vlot, gedetailleerd, maar goed gestructureerd, en met de humor van de zelfspot. Kortom een geboren verteller is aan het woord. De zaal  volgt hem geboeid. Hij geeft echt een inkijkje in de schrijverskeuken.

De kwalificatie  “spannend en literair ” voor zijn boek,  neemt hij als uitgangspunt. Zijn  probleem was dat het niet risicoloos was om als onbekend iemand op leeftijd (!)met een dik boek als eersteling uit te komen. Bij zo’n boek mag de lezer  absoluut niet  “inzakken”, het moet spannend blijven. Dus heeft hij getracht een spannende plot te koppelen aan interessante karakters, het literaire aspect. Het gevolg is wel geweest dat hij zowel bij thrillerprijzen als bij literaire prijzen werd genomineerd.

Hij is begonnen met het bedenken van een  plot. De eerste ingeving kreeg hij toen hij op een tussenstation in de trein naar Enschede een billboard-reclame zag met enkel een verwijzing naar een internet-advertentie.  Zo’n advertentie met uitsluitend een internetverwijzing was rond 2005 nog tamelijk nieuw. Hij verbond dat als vroegere lezer van de thuis verboden “Play Boy” en “Penthouse” met de toen ook net opkomende internet-porno-sites. Wie kijkt er naar die sites? En wie prostitueert zich daarop?  Wie maken de films en foto’s?  Wat zit daar allemaal achter? Dat zou gemakkelijk een ranzig verhaal in een ranzig milieu kunnen worden, maar dat was niet zijn bedoeling.

Hij was al jaren gecharmeerd van de  rector magnificus van de Twentse Universiteit waar hij als journalist werkte. Zo’n man moest in zijn verhaal. Een man met charisma. Goed als wetenschapper en goed als bestuurder van de universiteit. Zo ontstaat de hoofdpersoon uit zijn roman : Siem Sigerius. Een rector magnificus en wereldberoemd wiskundige, en bovendien vroeger een goede judoka. Smakelijk vertelt  Buwalda  hoe hij de wiskundige onderdelen van zijn boek van Wikepedia heeft gehaald en hoe er een bijna-rel is ontstaan over een zelf gefabriceerde wiskundeopgave in zijn boek , die onoplosbaar bleek en die in de zevende druk ook is veranderd, nadat een wiskundige  het bewijs had geleverd dat de som inderdaad onoplosbaar was.

Maar, vervolgt Buwalda het moest allemaal wel heel aannemelijk zijn, dat deze Sigerius als hoofdpersoon en later ook nog  minister van onderwijs, op een pornosite komt en dan ook nog zijn eigen dochter haar bedrijf ziet uitoefenen. Maar dat geldt voor meer zaken in het boek. De lezer mag ze niet allemaal wel erg toevallig gaan vinden, en dus ongeloofwaardig. Daar zat dus een probleem. Hij vertelt hoe hij zijn verhaal zo heeft proberen te construeren dat voor de lezer toevalligheden niet meer als toevalligheden overkwamen, door hen gewoon op het toeval als mogelijke werkelijkheid voor te bereiden. Helemaal gelukt is dat niet. Sommige lezers blijven met name met het einde toch wel wat moeite hebben.

Op een vraag of hij gelooft in de uitspraak van Mulisch dat een roman zich vanzelf schrijft, antwoordt hij dat elke schrijver het weer anders doet. Hij schrijft zo niet:  “Wel komt het voor dat een bepaald karakter zich als het ware aan je opdringt en je het meer gaat gebruiken dan oorspronkelijk het plan was”.Hij noemt als voorbeeld uit zijn boek de figuur Boudewijn.
In zijn boek heeft hij ook veel eigen belevenissen verwerkt. Iedere schrijver doet dat volgens hem.“Misschien is Philip Roth wel opgehouden met schrijven, omdat hij zijn  akker al zo vaak heeft omgeploegd dat er niets vruchtbaars meer te vinden was.” Een vraag uit de zaal of hij de vuurwerkramp in Enschede  met opzet in het boek heeft opgenomen? De vuurwerkramp speelt in het boek immers ook symbolisch een grote rol. Eerlijk gezegd, reageert Buwalda, wilde hij de vuurwerkramp  erbuiten houden ,maar hij vond het bij nader inzien toch niet kunnen om een boek te schrijven, spelend in het jaar van de ramp, en de ramp zelf niet te vermelden. Laf uitwijken naar een ander jaar of een andere universiteit wilde hij ook niet. Iemand wijst hem op het boek van een andere schrijver dat gelijkenis met zijn boek zou vertonen. Buwalda kent het boek niet, maar stelt wel dat zijn  enorme belezenheid soms een probleem is , wanneer hij zich bij het schrijven herinnert dat hij iets dergelijks al eens elders gelezen heeft. Maar dat je helemaal nieuw bent is een illusie.

Als schrijver is hij gedreven en toegewijd, maar als hem iets niet interesseert is hij lui. Naar aanleiding van een vraag over de titel: Met het  pistool  van de deadline op zijn hoofd heeft hij vijftien titels ingeleverd bij de Bezige Bij. De titel “Bonita Avenue” werd gekozen. In eerste instantie was hij er niet gelukkig mee- “te meisjesachtig” -  “maar achteraf bezien is het eigenlijk de titel die het beste bij het boek past. Het is immers de woonplek, waar de familie het gelukkigst is in een roman die toch een hoog mineurgehalte kent.”

Dankbaar voor het enthousiaste publiek met de vele vragen, neemt Peter Buwalda afscheid. Hij krijgt een welverdiend, lang aanhoudend applaus.

Martin Thijssen

Stijn van de Loo

23 oktober | Literair Café Helmond
Door Martin Thijssen | Bekijk de foto's van deze avond.

Stijn van der Loo ( Eindhoven 1963) begon zijn carriëre als zanger bij een a capella-groep. Geattendeerd op het poÎtische gehalte van zijn zelfgeschreven liedteksten, ging hij naar een schrijversschool. Daar kreeg hij te horen dat hij juist iets met proza had. In 2004 debuteerde hij met de roman “De Galvano”, waarmee hij de Debutantenprijs en de Schrijversprijs der Brabantse Letteren won. In 2006 verscheen “De held Jacob Mulle”, bekroond met de Halewijnprijs. Dit jaar kwam “Slopers” uit ,dat in de pers goed werd ontvangen. Van der Loo begint de avond met “Slopers”.

De roman speelt vlak na de Tweede Wereldoorlog. De hoofdpersonen zijn  twee broers: de gebroeders Pek. Ze hebben samen een slopersbedrijf. In het dorp zijn ze  niet geliefd. Ze worden voor “schooiers” uitgescholden. Vader zou destijds vrijwillig naar de Arbeitseinsatz zijn gegaan. Een landverrader dus, maar het harde bewijs ontbreekt. Hij is niet teruggekomen uit de oorlog en niemand weet waar hij is. De broers hebben het hard te halen om de eindjes aan elkaar te knopen. De smerigste karweitjes pakken ze aan. Je voelt dat er iets niet klopt. Het noodlot voltrekt zich als in een Griekse tragedie.

Van der Loo vertelt dat hij als hoofdpersonages bewust voor twee totaal verschillende broers in hetzelfde huis heeft gekozen: “Die weten van elkaar wat ze denken, ze zitten bovendien vlak op elkaar en bij een conflict kan het met een enorme kracht tegen elkaar gaan, en in fictie met nog onvoorstelbaar meer kracht en feller dan in werkelijkheid”. “Dat is een voordeel van fictie”, volgens hem. Van der Loo leest voor . Zijn proza is gul, beeldend, oud en nieuw door elkaar. Weggezakte woorden krijgen een nieuw leven: “doodgemoedereerd”, aanbanjeren, “smiespelen”. Hij vertelt boeiend, heeft oog voor verrassende details. Stijn van der Loo heeft zelf verder weinig toe te voegen aan zijn werk. Alsof hij denkt: het moet maar voor zichzelf spreken.

Maar het schrijverschap is slechts èèn kant van het veelzijdige talent dat Van der Loo is. Hij laat deze avond ook zijn andere kant zien: Stijn van der Loo als de liedjesschrijver. Hij doet dat samen met zijn zus, de musicalzangeres Marleen van der Loo, en zijn vrouw Mirjam van der Loo.

Aanleiding is het verschijnen van “Stijn en de liefde”, een boek met verhalen, ingeleid met anekdotes uit de muziekwereld, en achterin een CD met liedje van Stijn. Het zijn verhalen en liedjes ìvoor onder de huidî. Fictie en werkelijkheid lopen door elkaar. Het verhaal “Richard” wordt afwisselend door Stijn en Marleen voorgelezen. “Richard” is het verhaal van een blueszanger en vriend die aan de heroÔne verslaafd raakt. Zijn idool is Herman Brood. Verteld wordt onder andere over de eerste echte kennismaking met Herman Brood. Het was tijdens een persfoto-sessie waarbij Richards groep, gekleed in witte overalls, door Herman Brood met zwarte verf wordt bespoten en wel zo dat ieder lid een letter van het woord ‘Zing’ op zijn overall krijgt. `s Avonds in de trein terug naar huis, grijpt Richard in zijn jaszak en vindt daar tot zijn stomme verbazing een heroïnespuit met spul. Hij blijkt de jas van Herman Brood te hebben meegenomen. Symbolisch? Hij volgt zijn verdere korte leven Herman Brood. En het loopt met hem ook slecht af, ondanks een ontwenningskuur in een strafkampachtige inrichting. Hij sterft aan een overdosis. Het verhaal zit vol reflecties over het leven in het algemeen, maar met uiteraard ook de vragen als: ‘Waarom?’ en ‘Had dit voorkomen kunnen worden?’

De voorgelezen passages worden afgewisseld met liedjes, gezongen door Stijn en zijn zus Marleen, en na de pauze volgen dan nog twee liederen in het Engels door Mirjam, Stijns vrouw. Mooie teksten, mooie stemmen. Een prachtig begin met “Red roses for a blue lady”, door Marleen, daarna poëtische “levensliedjes” van Marleen en Stijn, die “schrijnen en zalven, schuren en troosten”: “Er is veel veranderd”, “Liefste als je eenzaam bent”, etc.

Stijn van der Loo is een veelzijdig  talent dat dus nog veel kanten uit kan. Welke keuze of keuzes zal hij uiteindelijk maken? Het was een bijzondere avond, wel anders, verrassend anders.

 

Martin Thijssen

Jelle Brandt Corstius

26 september | Literair Café Helmond
Door Martin Thijssen | Bekijk de foto's van deze avond!

Jelle Brandt Corstius (1978) laat in zijn reisverslagen verrassende aspecten zien van het ‘gewone’ leven in wat hij “moeilijke landen” noemt. Hij is niet de man van de toeristische toppers.  Hij is ook niet de afstandelijke verslaggever. Reizen met hem is “ervarend reizen”. We zien een land vanuit de mensen daar. Zijn boeken over Rusland en zijn tv-serie over “Van Moskou tot Moermansk” getuigen daarvan en dat zal ook zo zijn in zijn serie over India die op 2 december op de VPRO start.

Over dat reizen in die “moeilijke landen”, heeft Brandt Corstius, recentelijk een humorvol boek vol praktische tips geschreven: “Universele reisgids voor reizen in moeilijke landen.” De gids is overigens ook zeer bruikbaar voor reizigers in niet “moeilijke landen.”

Ondersteund door beeldmateriaal, vertelt Brandt Corstius zijn meer dan vijfhonderd aandachtige toehoorders over zijn ervaringen. Enkele voorbeelden. Wie zien beelden van zijn bezoek aan de nomaden op de Russische steppen: mensen van zijn tv-ploeg die na tien uur rijden op de sneeuwscooter bij aankomst letterlijk uit hun bevroren kleding gehakt moeten worden, waarna de Russische begeleiders het samen met de nomaden op een wodkazuipen zetten, met als gevolg dat ze drie dagen dronken zijn en er niet gewerkt kan worden.

We beleven zijn ervaringen met een walvisjacht. Hij vertelt hoe hij eerst het vertrouwen moest winnen van het walvisjagerdorp, omdat men bang was voor negatieve publiciteit van activisten. Dat vertrouwen krijgt hij uiteindelijk door mee te helpen bij het slachten van het gevangen dier, waarna hij beelden laat zien van dorpsbewoners die in hun huisjes op een uiterst primitieve wijze het walvisvlees koken en hiermee hun voorraad eten voor een lange winter bereiden.

Hij vertelt over de corruptie bij de politie in Moskou, nadat zijn laptop is gestolen en een undercoverheler van de politie die toevallig door de dief aangeboden krijgt. Op het bureau aarzelt de politieman echter met het teruggeven. Brandt Corstius voelt al waar het hem in zit. Hij zegt dat hij graag zijn dankbaarheid wil tonen. De politieman doet vervolgens zijn jack uit ‘omdat het in de kamer zo warm is’, en verlaat het vertrek. “Signaal”, volgens Brandt Corstius. Hij legt geld onder het jack. De agent komt terug, heeft het niet meer zo warm, zegt hij, en na het geld stiekem te hebben weggestopt, trekt hij zijn jack weer aan en overhandigt nu de laptop. Corstius heeft nog veel meer voorbeelden van corruptie. “Alle moeilijke landen zijn corrupt en je ontkomt er niet aan om mee te doen”.

Hij vertelt ook over zijn nachtmerrie-achtige ervaringen in Moermansk, waar het filmmateriaal op zijn hotelkamer tijdens zijn afwezigheid was bekrast en zijn harde schijf was gewist. Hij had een documentaire over missstanden bij de ontgroening van rekruten gemaakt. Hij is later toch weer teruggegaan en heeft de documentaire opnieuw gemaakt, waarbij hij voortdurend gevolgd werd.  Angstaanjagend waren zijn ervaringen in het oorlogsgebied Tsjetsjenië . Hij is er bang geworden en vertrokken. Spannende plekken trekken hem weliswaar aan, maar hij is niet roekeloos.

“Hoe ervaren de Russen het Rusland na het verdwijnen van de Sovjet Unie?” vraagt iemand uit de zaal. Daar denken ze anders over dan hier wel eens wordt gedacht. Het Rusland van nu is voor de meeste Russen niet meer het grote Rusland van weleer, wat ze als schande ervaren. De echte helden zijn voor veel Russen zijn nog steeds Stalin en ook Poetin. Onze “Westerse” helden: Jeltsin en Gorbatschov staan onderaan. Die jaren negentig van de overgang, zijn in de ogen van de Russen dieven- en maffiajaren geweest - meer nog dan nu - met veel onrust en vaak niets of weinig te eten. Russen houden van rust. Democratie betekent wanorde en chaos. “Maar ze hebben toch ook Internet?” merkt iemand op. Die vrijheid is er, maar de meeste Russen kijken naar de gecensureerde staats-tv. De mensen denken veelal nog  anders dan wij. Een eigen mening hebben is nog steeds vreemd. Het zit niet in hun systeem. En gaan stemmen bijvoorbeeld: “Waarom zou ik”, zei een Russische vriendin van hem, “Ik ben toch maar één persoon”.

Wat Brandt Corstius een zorgwekkende ontwikkeling vindt, is het herschrijven van de geschiedenisboeken voor scholen, wat op dit moment gebeurt. Zo verdwijnt uit de schoolboeken het Molotov -Ribbentrop- pact tussen Stalin en Hitler. Stalin wordt in de herschreven geschiedenis “de meest effectieve manager” genoemd.

“Hoe hij tot schrijven is gekomen?” , vraagt iemand. Hij heeft destijds bij Trouw gesolliciteerd met twee verhalen, de enige twee die hij had geschreven. Hij heeft toen gezegd dat het om een selectie ging. Waar het hem echt om gaat, is het kunnen bezoeken van spannende plekken. Dat hij schrijft en tv maakt, zijn middelen om dat doel te bereiken.

Een boeiende eerste avond van het nieuwe drieëntwintigste seizoen.

Martin Thijssen



Lid worden?

Vanaf € 60.- bent u donateur van het Literair Café Helmond. U heeft gratis toegang tot onze 6 literaire avonden en mag bovendien gratis 1 introducé meenemen. Zo bespaart u 50% ! Ook ontvangt u voor elke avond informatie over de schrijver (per email en eventueel per post).

Nieuwe donateurs kunnen zich aanmelden via het aanmeldformulier op deze website of bij het secretariaat:

Wethouder van Wellaan 142
5703 CN Helmond
Tel. 0492 532496

Losse kaartjes kosten € 10,00 (tot 18 jaar € 5,00)
Kaarten zijn alleen aan de zaal verkrijgbaar.
Reservering van plaatsen is niet mogelijk.