Arita Baaijens

24 april | Literair Café Helmond
Door Martin Thijssen | Bekijk de foto's

Arita Baaijens(1956) , ontdekkingsreiziger, bioloog en schrijver, komt op het podium  met een handmicrofoon en begint , heen en weer lopend,  haar boeiende verhaal. Ze is als mens een “ongedurig” type, ze wil van alles en moet ruimte en leegte om zich heen hebben, zoals de Egyptische woestijn haar die bood en waarin ze op een kameel twintig jaar heeft  rond- gezworven. Haar boek “Desert songs” (2008)  is hiervan een verslag.
In de  doodse leegte en ruimte van de woestijn kwam zij juist tot leven. Eigenlijk vreemd voor een bioloog, die je veeleer in katzwijm ziet vallen voor wat  leeft en bloeit. Ze kan het zelf ook niet echt verklaren. Misschien omdat je in de woestijn helemaal jezelf kunt zijn, je kunt in de totale leegte “alle maskers laten vallen”. “Niets leid je af van de essentie van het bestaan”. Maar na twintig jaar zwerven op een kameel door het hete woestijnzand was de betovering over en zocht ze een andere “obsessie”.

Een nieuwe missie
Er moest een ontstane leegte opgevuld worden.  Ze moest een nieuwe missie krijgen en daarmee tekst om te kunnen schrijven. Ze raakt in een crises, waar ze rijk uitkomt, en die Rilkes prachtige woorden bewaarheidt, die ze ook  als motto in haar laatste boek “Zoektocht naar het paradijs”( 2016) gebruikt: “Men moet de dingen een eigen, stille ongestoorde ontwikkeling laten. (…).Men moet geduld hebben.(…) Als men de vragen leeft, leeft men misschien geleidelijk, zonder het te merken, op zekere dag de antwoorden binnen.”

Extreem en risicovol
Wat ze zocht moest iets zijn met “extreme landschappen”  en het moest “risicovol” zijn. Ze komt bij haar zoektocht in Siberië terecht in het Altajgebergte dat gedeeld  wordt door Kazakstan, China, Mongolië en Rusland. Hier krijgt ze tijdens een congres van een hoogleraar de suggestie om op zoek te gaan naar het mythische koninkrijk Shambhala geheten, een utopisch oord dat volgens oude kaarten te vinden zou zijn in het Altajgebergte in Siberië. Het zou gaan om een vallei omringd door ijzige bergreuzen. Zelf geloofde  ze eigenlijk niet in het bestaan van een paradijselijke mysterieuze vallei waar mensen eeuwig zouden leven,  maar ze  is toch op zoek  gegaan omdat haar  leven “een grote puinhoop” was. Te  paard met een stoere Amerikaan (“Cowboy”) als reisgezel, gaat ze de nieuwe  uitdaging aan.

Een andere opvatting van werkelijkheid en waarheid.
Haar nieuwe ontdekking  is niet de mysterieuze vallei, maar wel dat  de mensen die ze daar in het gebergte ontmoet een heel  andere werkelijkheid kennen dan wij met onze “westerse” positivistische opvattingen van wat wel en niet waar is, en van wat wel en niet bestaat. Werkelijk is voor ons wat bewijsbaar is. En in de natuur is voor ons een berg een berg, een boom een boom, een rivier een rivier, etc. Maar zij komt  in een wereld  waar de natuur “bezield” is en alles met alles samenhangt. Plekken kunnen heilig zijn. Er zijn geesten die je kunt verstoren. Hoe je dingen doet , gebruikt,  neerlegt, etc. ,  is vaak aan rituelen gebonden, verwijzend naar een andere werkelijkheid  Kortom ze leert de andere wereld van de bezielde werkelijkheid kennen en laat die toe.  Ze voelt zich als Alice in wonderland, die via een konijnenholletje in een andere wereld terecht komt. Het is een werkelijkheid die  niet onze werkelijkheid is, maar wel een ook leefbare. Een visie op de werkelijkheid die je als rationalist kunt ontkennen, maar die je ook kunt accepteren als mogelijkheid. Zo vertelt ze ook dat ze onlangs in Nieuw - Guinea  jagers heeft ontmoet die zeggen de taal van de vogels te verstaan, en die hun vooraf de jachtbuit of het weer voorspellen.

“Deepmaps”
Arita Baaijens is als resultante van haar reis vooral geboeid geraakt  door plaatsen waar groepen  mensen zich “emotioneel” mee verbonden voelen, en waar je af moet blijven en die je “leeg” moet laten. Een soort “heilige plaatsen”. Ze noemt ze  “Chora” in tegenstelling tot de  “gewone plekken” die ze “locaties” noemt . Ze hebben een bijna mythische betekenis, zoals het “heilige land” van de indianen, waar  Trump toch respectloos een pipeline doorheen gaat leggen. Ze is in Nederland  met een projectgroep  bezig om deze bijzondere plaatsen , die er ook in ons land overal blijken te zijn , vast te leggen op speciale kaarten,  zogenaamde “Deepmaps” (werknaam). 

Komt de romantiek met de bezielde  natuur weer voor een stukje terug? Is dit een reactie op een  maatschappij waar meten is weten geldt? Moeten we weer oog krijgen voor andere werkelijkheden, en daar ook niet bang voor zijn?

Een intrigerende avond met enorm veel enthousiaste reacties.

Namens het Literair Café ook dank aan Theater het Speelhuis voor gebruik van de zaal.

Martin Thijssen

Herman Koch, meester in lezersmisleiding

14 maart| Literair Café Helmond
Door Martin Thijssen |

Een volle zaal. Herman Koch is een vlotte , aangename spreker en Udo Holtappels als zijn interviewer maakt er gretig en deskundig gebruik van.

“Kochiaans”
In zijn inleiding noemt de voorzitter van het literair Café Herman Koch (1953) een “meester in lezersmisleiding”: “U gaat vaak uit van een situatie ,een voorval , een gedachte, en geeft daarop via een vertellend personage uw kijk, en de lezer volgt, waarbij de verteller dan plotseling weer een andere, ook mogelijke invalshoek neemt. En als lezer denk je dan: ja, zo kan het ook zijn, zo zou je het ook kunnen zien. En uiteindelijk zie je als lezer dat je toch nog verrassend op het verkeerde been bent gezet, of zelfs helemaal geen been meer hebt om op te staan, want de ironie als stijlmiddel weet u bloed serieus te hanteren.”

De Greppel
Als voorbeeld wordt genoemd Kochs laatste roman “De Greppel” (2016), waarin vanuit de paranoïde achterdocht van de hoofdpersoon allerlei scenario’s worden doorgespeeld omtrent het mogelijk vreemdgaan van zijn vrouw. De lezer wordt daarmee allengs in een typisch “Kochiaanse suspense - sfeer” getrokken.

Verderop in het gesprek zal Koch op de vraag wat hij zelf onder “Kochiaans” verstaat, zeggen dat hij aan deze karakterisering als schrijver geen inhoud wil geven. Hij maakt tussen de regels door wel duidelijk dat hij “Kochiaans” toch wel als een geuzennaam ziet.


Atheïst?
Inspelend op de actualiteit – het overlijden van Stephen Hawking – en de gesprekken in Kochs roman “De Greppel” over het vraagstuk van “het ontstaan en de eindigheid van het heelal”, en het “waarom” ervan, vraagt Udo Holtappels of Koch soms atheïst is? Koch zegt dat hij destijds het boek “Waren de Goden Kosmonauten?” van Erich von Däneken” wel heeft verslonden, maar dat hij zich toen wellicht afzette tegen een religieuze opvoeding, maar dat hij nu toch wel een lichte hang naar het mystieke kent en dat” religieuze mensen en religiositeit respect verdienen”. Er is meer dan wij kunnen zien en denken. Zo moeten we ook de rol van de lijster zien in zijn boek “De Greppel”, waarvan de hoofdpersoon denkt dat het wellicht zijn overleden moeder is, die in vogelgedaante verschijnt.

Geen planmatig schrijven
Hij heeft altijd al schrijver willen worden en verzon op school al stoere verhalen over veldslagen tussen groepen leerlingen, die hij dan thuis als waar vertelde. “Je was dus de eerste maker van nepnieuws ? ”, aldus Holtappels. Stoere verhalen vertellen was voor hem als verlegen ventje een mogelijkheid om zich te profileren. “Stoere verhalen” , merkt hij nog op, “horen bij mannen. Vrouwen zijn meer van de feiten”. Zo moet je volgens hem man en vrouw nooit samen een stoer vakantieverhaal laten vertellen, want dat gaat dan zo: “Maar ,Jan , we waren toch al voor dat verschrikkelijke onweer uitbarstte binnen, we waren toch op tijd in het café. Jij had je eerste biertje al voor je.” Koch vertelt dat hij niet schrijft aan de hand van een schema , laat staan met een al uitgewerkt plot. Dat zou voor hem de dood in de schrijverspot zijn. De roman schrijft zich als het ware gaande het schrijven zelf. Natuurlijk heeft hij een globaal idee. Zo was bij het boek “Het diner” het basisidee om iets te schrijven rond een groep mensen aan tafel die niet weg konden. Het nadeel van moderne thrillers is volgens hem dat ze zo planmatig met een uitgewerkt plot zijn opgezet en je eigenlijk als geoefend lezer in het begin al weet wie de dader is.

De juiste toon, de rest komt vanzelf
Belangrijk is “de toon” van iemand: “Als ik weet hoe iemand praat , komt de rest van zelf”, aldus Koch. “Zo’n toon schiet je vaak ineens te binnen, bijvoorbeeld onder de douche.” Uitgaande van die “toon” ontwikkelen zich zijn karakers, die je bij hem vooral via de monologen leert kennen. Hij maakt dus van tevoren geen uitgebreide psychologische studies van zijn personages. Ze ontwikkelen zich tijdens het schrijfproces. Ze kunnen zelfs een kant opgaan, die hem als schrijver verrast en zelfs teleur kan stellen: “Dat hij nu ook zulke kleffe taal uitslaat, dat had ik van hem nu helemaal niet verwacht. Juist van hem niet.” Maar het gebeurt hem als schrijver.

Tegendraads
Schrijven is ook de weg vinden tussen wat je denkt en niet kunt zeggen , en wat je wel mag zeggen. Koch zegt dit naar aanleiding van een voorgelezen passage uit “de Greppel” waarin hij met ironie en met het schokmiddel van de zwarte humor omgaat met actuele thema’s uit de maatschappelijke discussie en harde uitspraken bezigt als: het “nieuwe fascisme” is “de wind”, “de windenergie”, “de milieuactivist”, de mensen die op de “ecologische Birkenstocksandalen” lopen en waarbij je associatief denkt aan de bossen in Polen waar ooit een kamp heeft gelegen: “Ik ben een overlevende van Birkenstock”. Zo gaat hij ook tegen de veganisten tekeer met hun “bloedloze gezichten als vanuit afval gewonnen karton”. Dit zo schrijven is voor hem een uitdagend gedachte-experiment, waarbij ook andere meningen naar voren komen. Dit betekent niet dat hij het met deze meningen eens is. Hij wil ook andere , tegendraadse stemmen laten horen. Zo vindt hij dat de euthanasiediscussie te kort door de bocht wordt gevoerd, te weinig rekening houdend met opvattingen van andere culturen.


Lui en plannen
Hij is lui. Lui zijn betekent voor hem , tijd om te mijmeren , en mijmeren heb je nodig om creatief bezig te kunnen zijn. Ook het doen van mechanische huishoudelijke bezigheden – bij voorbeeld afwas, of in de tuin bezig zijn met grasmaaien of snoeien – scheppen ruimte. Hij werkt een paar uur per dag intensief aan een boek. Het overzicht houden of alles klopt wordt met het stijgen der jaren iets moeilijker. Als een boek af is laat hij het eerst drie mensen lezen , onder anderen, zijn vrouw en de laatste tijd ook zijn zoon. Daarna gaat er een redacteur doorheen. Hij wil nog graag een nieuwe roman schrijven, zoals Anna Karenina en Madame Bovary , maar dan vanuit het perspectief van een vrouw. Dus nog werk genoeg.

Een avond waarin het schrijven en leven van een literaire wereldtopper Herman Koch ruime aandacht kregen. Met dank voor de goede voorbereiding en leiding door interviewer Udo Holtappels.

Martin Thijssen

Marja Pruis geïnterviewd door Theo Hakkert

23 januari| Literair Café Helmond
Door Martin Thijssen | Bekijk de foto's

Een geweldige avond waarop Marja Pruis - voortreffelijk geïnterviewd door Theo Hakkert - open en oprecht over haar boeken en schrijverschap vertelt.

Schrijver worden was niet vanzelfsprekend.
Ze komt niet uit een echt “geletterd of artistiek milieu”. Ze was thuis de enige lezer. Het wat teruggetrokken kind van met een boekje in een hoekje. Ze was toen al “de schamer”, die ze nu nog is. Ze zal nooit het hoogste woord voeren, zich altijd bescheiden opstellen. Dat geldt ook voor de redactievergaderingen bij “De Groene”, antwoordt ze op een vraag. Wat ze in te brengen heeft, formuleert ze “kort en bondig”.

De aanduiding “schamer” heeft ze ook opgenomen in de ondertitel, behorend bij haar alom geprezen essaybundel “En genoeg nu over mij. Confessies van een ervaren schamer.” (2017 ). “ Schamer” is eigenlijk geen bestaand Nederlands woord, verduidelijkt ze. Ze heeft het geleerd in het “Schaamte - clubje” van de psychiater Louis Tas. Schaamte is volgens hem “gebrek aan empathie met je zelf”, niet genoeg van jezelf willen accepteren.

Schrijven deed ze vroeger al, maar wel min of meer in het verborgene in schriftjes die ze tussen haar kleding verstopte. Schrijver als beroep was thuis geen optie. Je moest leren en werk vinden. Haar vader kocht wel boeken voor haar. Na zijn overlijden kwam ze als schrijfster eigenlijk pas los. Ze was toch altijd bang om af te gaan voor hem. Over de relatie vader - dochter in het algemeen zal ze later op de avond uit haar essay- bundel het prachtige stuk “Dochterliefde” voorlezen.

Schrijven: vat krijgen op.
Schrijven is voor haar het ideale middel om zaken aan “de oppervlakte” te brengen , ergens greep op krijgen , iets leren begrijpen. Schrijven is ook iets dat je in je eentje kunt. Je bent ook heerser over wat je maakt en - met een glimlach - je kunt ook wraak nemen. Jij bent de baas. Het is jouw wereld.

Ze schrijft zin voor zin. Pas als een zin goed is gaat ze verder. Ze plempt niet een hoop tekst op papier waaraan ze later gaat schaven en ze maakt ook geen schema’s. Ze is wel altijd omringd door aantekeningen , slordig op briefjes en in opschrijfboekjes verzameld. Wanneer ze aan iets nieuws begint, neemt ze gezien haar werk bij Groene wel eens onbetaald verlof , om een flinke aanloop te maken. Eigenlijk is ze dag en nacht met haar werk verweven, vooral ook het schrijven van een vaste column voor “De Groene”, houdt je gedachten en oog en oor voortdurend bezig: Waar zal ik het over hebben? Wat kan ik gebruiken? En dan de stress als je in tijdnood komt.

Eerste boek: “Broddelwerk”.
Haar debuut gaat over Netty Nijhoff de vrouw van de dichter Nijhoff: “De Nijhoffs of de gevolgen van een huwelijk”( 1999) Twaalf jaar voorbereiding had het haar gekost. Een malicieuze recensie in de Volkskrant was het resultaat. Het boek werd als “broddelwerk” neergesabeld. Hoe had een uitgever ooit zoiets kunnen doen verschijnen? Ze liep met schaamrood op de kaken rond. Ze durfde zich haast niet meer te vertonen. Wellicht was ze destijds met de lossere vorm waarin ze het biografische gegeven had gegoten haar tijd vooruit geweest, gezien de toen gehanteerde literaire criteria voor een biografie. Ze was er kapot van, maar ze heeft zich niet uit het veld laten slaan. Binnenkort verschijnt een herdruk met toelichting. Ook al te heftige ,wellicht ietwat gemeen geformuleerde teksten, misschien eigen aan een debuut, zijn bijgesteld. De ruzie met de erfgenaam is bijgelegd.

Welke “ik” is het meest Marja Pruis?
Naar aanleiding van haar essays “Genoeg nu over mij” komt de vraag, waar ze nu het meest met de “ik” samenvalt: in haar romans of in haar essays? Ze zegt wat de romans betreft, dat ze een beetje “fictiemoe” is. Haar interesse ligt niet meer bij “verzonnen werelden” en ook niet bij de “grote economische en politieke thema’s”. Ze zoekt het dichter bij huis en wil “persoonlijk” schrijven. Dus het “schrijvers - ik” in haar columns valt het meest met haar samen, waarbij ze direct opmerkt dat columns “feit en fictie” zijn. Niet iedereen weet dat. Soms wordt ze aangesproken op een voorval uit een column in “De Groene” - “Hoe gaat het met die en die?” - waaruit blijkt dat lezers denken dat alles “echt”is. Ze geeft toe dat ze zelf die fout ook wel eens gemaakt heeft.

Persoonlijk , dicht bij huis
De thema’s in haar essaybundel “Genoeg nu over mij” zijn heel herkenbaar. Het zijn geen zware beschouwingen over tamelijk abstracte onderwerpen. Een greep uit de inhoudsopgave: “Als ik in de spiegel kijk, wat zie ik dan?” ; “Onze kleding ons leven, over het belang er goed uit te zien , en wat is dat?”; “Lekker lachen: Waarom vrouwen niet grappig zijn.”; “ De ervaren schamer. Over je verstoppen en toch gezien worden.”; “Waarover je het niet hebt : Je was de liefde van mijn leven.” ; “ Met enige fanfare naar beneden. Sterven en plein public.”; “Hoe blind kun je zijn. Nog één keer over mannen en vrouwen.” Onlangs verscheen ook “ Omdat je het waard bent. Nieuw licht op eigenliefde”(2017) Het gaat over de like-generatie die het eigen ik lijkt te vieren en als het ware “lof afwimpelt om nogmaals geprezen te worden”, zoals eeuwen geleden De Rochefoucould al zei. “Is men meer van zichzelf gaan houden?”, vraagt Marja Pruis zich af in het boek. Ook over De #Metoo-beweging wil ze binnenkort iets publiceren. Erover schrijven ,helpt haar haar mening helder te krijgen.

Relativeren.
Ze laat ook met gezond relativeringsvermogen zien dat haar visie op zaken een beperkte is. Zo vertelt ze over een fototentoonstelling waarvoor ze als beoordelaar werd gevraagd. Het ging om feministische fotografie. Veel vrouwelijke naakte poezigheid in de natuur rondom de boerderij zag ze. “Aandoenlijk tweede -golf - feminisme”, denkt ze met haar feministisch interpretatiekader, dus met oogkleppen op, zo blijkt , want het geheel is fake: Een kunstig geënsceneerde tentoonstelling. De foto’s waren beelden uit Deense pornofilms. Ook het mooie bijbehorende fotoboek was zo samengesteld. Ze zweert nooit meer over mannen en vrouwen te schrijven .

Een mooie, rijke avond met een open, oprechte Marja Pruis. Een avond die prima geleid werd door interviewer Theo Hakkert.

Martin Thijssen

Auke Hulst

22 november| Literair Café Helmond
Door Martin Thijssen | Bekijk de foto's

Losjes op een hoge kruk zittend , petje op, zijn gitaar naast zich, begint dubbeltalent Auke Hulst (1975) zijn verhaal, dat hij in de loop van de avond muzikaal zal ondersteunen met onder andere prachtige songs van de CD, behorende bij zijn laatste boek “Motel Songs” (2017). Schrijven en muziek gaan bij hem samen.

Generatie lef
Auke Hulst behoort tot de generatie jonge ,bekroonde schrijvers die ook lef hebben om van de Nederlandse literaire traditie af te wijken. Ze durven het experiment aan en de literaire grenzen op te rekken, waarbij ze het moeten opnemen tegen de gevestigde literaire orde. Auke Hulst zal deze avond van de acht boeken die hij inmiddels geschreven heeft er drie speciale aandacht geven: “Kinderen van het Ruige Land” (2012), zijn literaire doorbraak, sterk autobiografisch en veelvuldig bekroond: o.a. BNG Literatuurprijs en Cutting Edge Aword ; “En ik herinner me Titus Broederland” (2016), kreeg de Harland Award (“fenomenaal beschreven apocalyptische wereld”) , en zijn recent verschenen en in de literaire kritiek alom geprezen: “Motel Songs”(2017). In deze laatste roman gaat Auke Hulst op zoek naar sporen - vooral sterfplekken - van zijn literaire en muzikale helden Hemingway, Dick, Cobain, Buckley , Prince , Fitzgerald, en hij schrijft in motelkamers tevens songs . Maar de roman is meer dan een roadnovel, het is ook het beklemmende levensverhaal over zijn vader , en daarmee ook een verwerkingsroman. Daarnaast leren we via gesprekken en ervaringen tijdens de reis het echte, soms harde, onvervalste Trumpland kennen.


Alles kon thuis
“Kinderen van het ruige land” is voor Auke Hulst aanknopingspunt voor het beschrijven van zijn vroegere gezinssituatie. “Een flierefluitende moeder”, die altijd weg was, die alles kocht zonder te betalen ( “Zonde van het geld”) en alles bij elkaar loog. Vader: explosief, en “larger than life” , typisch de journalist van de jaren zeventig met veel roken (twee pakjes per dag) en drank. Alles mocht je als kind, alles kon, een “Pipi- Langkous-huis”. Maar de regelloze opvoeding maakte je tegelijkertijd naar de buitenwereld toe onzeker. Hulst durfde bijvoorbeeld jarenlang op school geen spreekbeurt te houden. Hij vroeg vooraf voor hem maar een 1 te noteren. De latere dichter des Vaderlands , Driek van Wissen, ontdekte als leraar Nederlands via zijn opstellen zijn literair talent.

Lezen verruimt
Thuis vluchtte hij weg in boeken, vooral science fiction (Dick) , later worden Vonnegut met “Slaughterhouse five” en Fitzgerald met “The great Gatsby” zijn voorbeelden. Hij heeft altijd veel gelezen. “Lezen is verruimend.” We zitten anders “opgesloten” in onze eigen wereld. Een boek biedt de mogelijkheid om “andere levens te leven”, niet alleen die van de personages, maar ook dat van de schrijver. Studies maakte hij niet af. Met bluf over de hoogte van I.Q weet hij een baan als journalist te krijgen bij “Vrij Nederland”.


Schrijven en muziek
Hij wil per se schrijver worden. Maar zijn eerste boek duurt tien jaar, nadat hij tientallen eerste hoofdstukken had weggegooid. Hij had ook afstand en emotionele rijpheid nodig. Schrijven is voor Auke Hulst “nadenken met je handen”. “Gedachten zijn vluchtig”, als je ze opschrijft , “stol je ze als het ware” en zijn ze een tastbare aanzet tot verder denken. Schrijven is voor hem het leven en zichzelf onderzoeken op papier. Woorden vinden “voor voorheen woordloze dingen”. Maar hij houdt ook van muziek. Soms is het moeilijk kiezen. Met ontroering leest hij voor uit “En ik herinner me Titus Broederland”: “Muziek is tegelijk van deze wereld en er ver boven verheven, zonder lichaam maar in staat het lichaam te doordesemen, zonder gewicht maar in staat het gewicht van het gemoed te beïnvloeden. Muziek is onaanraakbaar en raakt ons aan.”

Een mooie avond met een dubbeltalent dat het lef heeft onbetreden paden te begaan.
Martin Thijssen

Hanna Bervoets

24 oktober | Literair Café Helmond
Door Martin Thijssen | Bekijk de foto's

Hanna Bervoets (1984) is een vlotte vertelster, cultureel breed georiënteerd - ook goed bekend met de populaire cultuur - en wars van heilige huisjes. Ze heeft met twee literaire prijzen een prachtig jaar achter de rug: De Kellendonkprijs voor haar hele oeuvre” en de BNG- literatuurprijs voor haar voorlaatste roman “Ivanov” (2016) Naar aanleiding van haar laatste roman “Fuzzie” (2017) - geprezen vanwege de rake observaties ,de onverwachte invalshoeken en de intrigerende vragen die worden opgeworpen - stelt haar interviewer, de literatuurcriticus Jeroen Vullings, zijn openingsvraag: “ Hanna, hoe komt nu een boek, een roman, bijvoorbeeld “Fuzzie”, tot stand? Is het een vonk die plotseling overslaat? Hoe werkt dat bij jou?”

Je hebt een idee
“Je hebt een idee, en dat wordt allengs een obsessie. Het heeft altijd ook iets met mezelf te maken.” Bij ‘Fuzzie’ was het haar verdriet als gevolg van een verbroken relatie. Bij haar voorlaatste boek ‘Ivanov’(2016), was het uiteindelijk een boek over de Russische wetenschapper Ivanov die experimenteerde met de kruising van apen en mensen. In dit boek werd in een voetnoot gewezen op de mogelijk overdracht van het HIV- virus via een aap op de mens. Eerder in haar studietijd had ze zich de hele Aids- problematiek eigen gemaakt: “Ik wist er dus veel van. En dan ga je waarom-vragen stellen. Waarom zijn die experimenten nu niet meer mogelijk? Wellicht kunnen ze mensen redden? En zo ontstaat dan je boek.” Bij “Céline”( 2011) was het een Vip-spotter die ze, aansluitend bij haar belangstelling voor populaire, alternatieve cultuuruitingen, een dag lang volgde.

Een luie schrijver
Ze zegt dat ze een “luie schrijver” is en bewust kiest waarover ze wel of niet schrijft. Zo zou ze over een historisch onderwerp niet willen schrijven, dat vergt te veel research. Ze kan het geduld daarvoor niet opbrengen. Ze kan ook niet een onderwerp oppakken waar ze helemaal niets van weet en zich daar vervolgens twee jaar lang in gaan verdiepen.

Geen verheven gedoe
Schrijven is voor haar opperste concentratie die tot een eruptie komt. Zich elke dag weer naar tevredenheid leeg kunnen schrijven, dat geeft voldoening en is de beloning voor een schrijver. Iets anders zou ze ook niet kunnen. Geen baan van 9 – tot 5. Vullings merkt op dat in het verleden schrijvers wel eens gezien werden als een intermediair tussen boven en beneden. “Is schrijven misschien toch een soort religieuze activiteit?” Bervoets moet van dit “verheven , gedoe” niets hebben. Schrijven is gewoon een bezigheid. Je kunt het ook als aangenaam tijdverdrijf doen, gewoon zoals naar een serie kijken. Je moet een schrijver niet op een voetstuk plaatsen. Maar wil ze als schrijver dan niet erkend worden, misschien ooit de Nobelprijs krijgen? Erkenning vindt ze belangrijk. Je schrijft als schrijver om gelezen te worden.

Personages
Vullings merkt op dat hij in haar werk een ontwikkeling in haar personages constateert. Bervoets beaamt dat. Ze zijn “reflexiever” geworden. Ze ontwikkelen meer eigen gedachten en beschouwingen. Hoever gaat haar meeleven met haar personages bij het schrijven, gezien de rol ook van empathie in haar werk? Heeft ze voorkeuren, zijn er “lievelingen?” Ze aarzelt. Niet echt, maar dan soms toch wel. Zoals de pensionado uit “Fuzzie die iets van haar vader heeft. Ze vertelt dat haar personages vaak gebaseerd zijn - weliswaar heel vaag- op personen die ze kent. Ook geeft ze toe dat Maisie en haar ex Florence uit “Fuzzie “wel “lievelingen” zijn. Maar als een boek eenmaal verschenen is , is het voor haar over het algemeen snel over en uit met de genegenheid. Er is voor haar dan een periode afgesloten.

Niet terugkijken
Ze wil ook nooit een bewerking voor een toneelstuk of film maken. Ze moet dan weer helemaal terug in de wereld en sfeer waarin het werk is ontstaan. Daar heeft ze geen zin in. Ook met de vertalingen van haar werk die nu overal in de wereld verschijnen ,bemoeit ze zich er niet meer. Ze wil vrij zijn voor ander nieuw werk.

Andere schrijvers
Heeft ze als schrijver voorbeelden. Ze denkt lang na. Ze noemt een enkele Amerikaanse schrijver. Maar eigenlijk niet echt. Van “Een klein leven” van Hanya Yanagihara zegt ze wel dat ze dat als zeer aangrijpend heeft ervaren, waarna een tijd lang elk ander boek daarmee vergeleken in het niet leek te vallen. Of ze tijdens het schrijven ook nog boeken leest van andere schrijvers? Vroeger niet. Nu wel weer, maar dan toch vooral boeken die ze al gelezen heeft en waar ze iets mee heeft ,bijvoorbeeld wat stijl betreft, zodat ze met het herlezen ervan haar eigen schrijfproces als het ware kan ondersteunen. Stijl kent ook een bepaalde cadans ,waardoor je als het ware in trance schrijft. Ze illustreert dit bij het voorlezen van de eerste bladzijde uit “Fuzzie”.

lezers
Of ze enig idee heeft hoe haar vertaalde boeken het buitenland gaan doen? Ze heeft gehoord dat er in Duitsland en Frankrijk wat meer belangstelling voor literatuur is en dat de literatuurbijeenkomsten beter bezocht zouden worden. Ze merkt daarbij op dat ze en zo een druk bezochte bijeenkomst zoals hier vanavond in Helmond nog nooit heeft meegemaakt. Dat is echt een uitzondering. Vullings beaamt dat. Zowel Bervoets als Vullings zien in ons land hoe de boekhandels en uitgevers op allerlei manieren pogen om lezers te trekken. Er wordt daarbij soms wat “afgesold” met ons als schrijvers, aldus Bervoets. Bervoets zegt dat ze vroeger als kind veel las, maar op school door het “lezen voor de lijst” is het snel minder geworden. Ze heeft de kantjes eraf gelopen. Ze heeft zelf geen herinneringen aan een bevlogen leraar Nederlands. Leerlingen voor literatuur interesseren eist wel die bevlogenheid. Je moet zelf achter een boek staan, en dat weten over te dragen. Wat voor boek doet er niet toe.

Een mooie, interessante avond waarop de literatuur ook in een ruimere context ter sprake kwam. Dank aan Jeroen Vullings voor het stellen van de juiste vragen.
Martin Thijssen

Marcia Luyten

wo 20 sept | Literair Café Helmond
Door Martin Thijssen | bekijk de foto's!

Een volle zaal. De bijna zeshonderd aanwezigen genieten, want Marcia Luyten (1971), gewezen diplomate, journaliste, schrijfster en presentator van het VPRO-programma Buitenhof is een geboren vertelster, die haar publiek met haar verhaal over de opkomst en teloorgang van de mijnen in Zuid-Limburg van begin af aan weet te boeien. Voor dit verhaal, opgetekend in haar laatste boek “Het geluk van Limburg”( 2015) kreeg ze in 2016 de Brusse-prijs voor het beste Nederlandstalige journalistieke boek.

Onwetend
Marcia Luyten groeide op aan de rand van de mijnstreek en zag vanuit het ouderlijk huis hoe aan de horizon de silhouetten van koeltorens en mijnliften allengs verdwenen. “Goed dat de mijnen verdwijnen”, hoorde ze thuis. “Het was maar slavenarbeid daar.” Dat was het. Ook op school en later op de universiteit tijdens haar studie Economie in Maastricht hoorde ze, ondanks de kaalslag die overal in de mijnstreek plaatsvond, verder niets over de mijnen.
Haar interesse voor de eigen Limburgse mijnhistorie werd gewekt toen ze als correspondente werkte in Afrika in landen met rijke bodemschatten en daar met de vaak rampzalige gevolgen van de mijnbouw werd geconfronteerd: smerige oorlogen, zoals in Kongo. Zij zou die ongeschreven bladzijdes van de mijngeschiedenis van Limburg gaan vullen.

De opkomst
Lange tijd heerste in Nederland - onder andere gestimuleerd door Willem I - de opvatting dat Nederland handelsnatie en geen industrie-natie moest zijn. De gevolgen van industrialisatie elders in de wereld werden met afschuw bekeken, want dat betekende verpaupering. Het rode gevaar, het socialisme dus, vond daar een gemakkelijke voedingsbodem. De mijnbouw werd daarom wel in het verre Zuiden geduld, dat was ver genoeg weg van de rest van Nederland. Maar kolen werden steeds belangrijk voor de economie.
In 1902 werd het Staatsbedrijf Staatsmijnen Limburg opgericht. Het ver afgelegen Limburg werd door de politici allengs gezien als een rijk wingewest op eigen bodem. Doel was zo veel mogelijk opbrengst te genereren. Er kwamen nederzettingen voor mijnwerkers “koloniën” genoemd (nadruk op laatste lettergreep), die grote overeenkomsten hadden met de ruime nederzettingen van de plantagebouwers in het toenmalige Nederlands Indië. Er werd gekozen voor overzichtelijke erven met brede straten, royale sportvelden, gesubsidieerde (muziek) verenigingen, toneelzalen en gemeenschapshuizen. De huizen hadden een voortuin vol bloemen en een moestuin achter. Tuinieren was behalve gezond voor lijf en geest ook een zinvol tijdverdrijf. Wie in zijn voortuin het onkruid liet woekeren was verdacht. Hier zou de vrije tijd kunnen opgaan aan rode - lees socialistische - gedachten. Kortom het was een bewust project van “sociaal engineering” dat nog meer vorm kreeg toen Staat, Mijn en Kerk als een Trojka gingen samenwerken.


Dr. Henri Poels
De bijdrage van de kerk kwam via Dr. Henri Poels, afkomstig uit Venray, met een bewogen kerkelijke loopbaan achter de rug, markant en met charisma. Hij wordt in 1910 door de bisschoppen benoemd tot “Hoofdaalmoezenier sociale werken”.
Omdat de Limburgse jongens aanvankelijk argwanend waren gebleven tegenover het ondergrondse bestaan, waren veel Duitsers, Polen, Slovenen, Tsjechen en Italianen gaan binnenstromen. Jonge mannen zonder vrouwen in den vreemde. Mede hierdoor dreigde Limburgs vredige rust ten onder te gaan anarchie en zedeloosheid. Poels moest het socialistische gevaar afwenden en ontkerkelijking en zedeloosheid tegengaan. Hij begon “de katholieke zuil” te organiseren: katholieke woningbouwverenigingen, geen grauwe stadwijken, maar ruim opgezette wijken naar het voorbeeld van de Engelse tuinsteden. Zelfs Hitler stuurde zijn architect Speer naar Limburg om te gaan kijken. Er kwamen woninginspecteurs die keken of alles proper was, of men gezond at, of er niet teveel alcohol werd gedronken, of het huishoudboekje op orde was, en er vanaf een bepaalde leeftijd “zedelijk ”dus gescheiden geslapen werd. Er kwam een mijnpolitie. Het kerkbezoek werd gecontroleerd, er waren gezellenhuizen, er was een katholieke gezondheidszorg en er kwamen katholieke huishoudscholen en een RK werkliedenbond.
Wanneer je in de mijn wilde werken, liep dat via de pastoor die je kerkbezoek controleerde en je daarna een briefje gaf, waarmee je aan de slag kon. Allengs werd de mijnwerker van de wieg tot het graf verzorgd en gecontroleerd.

De bewonderde macho’s
Het imago van mijnwerker kreeg een impuls door de Vakschool voor mijnwerkers. Je kon werken, geld verdienen en leren laten samengaan, en dus ook stoer roken, drinken en brommer rijden, want je had geld. Je was iemand. Mijnwerkers konden het beste vechten, lopen, drinken, voetballen. Men was trots op het bestaan als mijnwerker. Mijnwerkers behoorden tot de best betaalde werknemers. Mijnwerkers droegen in belangrijke mate bij aan de welvaart van ons land en hadden als zodanig landelijk aanzien.


De oorlog
De oorlog kwam. Na aanvankelijk veel stemmen voor de NSB, loopt dat snel terug. De katholieke kerk verbiedt als eerste het lidmaatschap. De mijnen zijn voor de bezetter belangrijk. Maar de Limburgers mijnwerkers en mijndirecties verzetten zich. Marcia Luyten wijst hier op een heersend vooroordeel. Toen Koningin Wilhelmina een van haar ministers vroeg hoe het verzet in Limburg was geweest antwoordde die: dat hem geen Limburgs verzet bekend was. Ook Lou de Jong vermeldt niets. Toch was er wel degelijk sprake van verzet. Twee grote mijnstakingen, vergelijkbaar met de Februari-staking, zijn er geweest. Tientallen mensen zijn daarbij opgepakt en gefusilleerd. Velen zijn naar concentratiekampen gebracht. Veel joden zijn ondergedoken in Limburg. Hun donkere haar viel daar niet zo op door de import van de vele buitenlandse mijnwerkers. Twintig procent minder Joden zijn uit Limburg gedeporteerd, vergeleken met de rest van Nederland. Feiten die je nooit hoort.

Na het geluk kwam het verdriet.
Den Uyl had in 1965 de durf om de knoop door te hakken en de mijnen te sluiten. Er moest al jaren geld bij. Maar een echt design zoals bij de opkomst van de mijnen ontbrak. Zwaar gesubsidieerde industrieën kwamen en gingen. Een paar bleven er, zoals DSM. De universiteit Maastricht en Ned Car kwamen. Maar er werd vooral gesloopt. Er werd niet getracht om op basis van aanwezige kennis, bijvoorbeeld de mijnbouwtechnologie, iets nieuws op te bouwen. De gestudeerden trokken weg: Braindrain.
Mensen kwamen werkloos of met een uitkering thuis te zitten. Maar ook de ziektes kwamen naar boven: de stoflongen. Men moest bedelen om een tegemoetkoming voor de stoflongen. Men voelde zich verlaten, miskend. Een door de zorg van de wieg tot het graf aangekweekte passiviteit doet zich gelden. En onlangs zei de regering nog dat de huisverzakkingen als gevolg van drooggelegde mijngangen zijn verjaard. Dit wekt wrevel en kweekt, wellicht PVV- stemmers. Men voelt mee met de Groningers.
Maar er gloort ook hoop. Rond de steden Maastricht, Heerlen, Roermond ontwikkelen zich overal kenniscampussen. Hopelijk krijgen die een vliegwielfunctie, zoals de universiteit van Maastricht. Burgemeesters werken meer samen, i.p.v. elkaar te beconcurreren. Ook komt er weer belangstelling voor het verleden. In 2015 zijn de eerste “Mijnbouwdagen” geweest.


Objectief en subjectief
Marcia Luyten verwerkt in haar boek ook de ware familiegeschiedenis van Sjakie Vinders. Ze geeft de objectieve feiten van haar verhaal hiermee een subjectieve menselijke inkleuring. Historie wordt zo levend. Zonder Sjakie Vinders was haar boek er nooit gekomen.


Motherland
Marcia Luyten sluit voor de pauze af met het ontroerend mooi door haar gezongen: “Motherland” van Natalie Merchant ,waarbij ze begeleid wordt door vier zichzelf “gelegenheidsmusici” noemende muzikanten uit de streek. Op verzoek van de zaal zingt ze het lied nog een keer als slot. Dit lied had ze vaak in haar hoofd bij het schrijven van haar boek het “Geluk van Limburg” Een geweldige avond met overrompelende momenten, afgesloten met een daverend applaus.

Martin Thijssen

Arnon Grunberg

2 februari | Literair Café Helmond
Door Martin Thijssen | Bekijk de foto's

Arnon Grunberg (1971) is voor de eerste keer in Helmond. Een overvolle zaal met bijna 600 bezoekers. Udo Holtappels interviewt. Grunberg was ’s ochtends uit New York gearriveerd. De voorzitter van het Literair Café bekende dat het bestuur opgelucht was toen men hoorde dat hij daadwerkelijk was aangekomen, dit gezien het geharrewar rond de presidentiële decreten over in- en uitreizen. Grunberg merkt op dat hij nog steeds zijn greencard heeft en ook weer terug mag. Hij heeft wat het binnenlandse beleid betreft alle vertrouwen dat de rechtelijke macht in de VS Trump in bedwang houdt, maar hij weet ook dat sinds 9 /11 de president zich bij zijn buitenlands beleid veel kan veroorloven en wat daarmee uiteindelijk gaat gebeuren is onzeker. Dus de tijden zijn best spannend.

Columns
Daarom ook dat hij zijn column “Voetnoten” in “De Volkskrant” aanhoudt. Na Obahma zou hij daarmee stoppen maar nu blijft hij doorgaan. Hij kiest er trouwens voor als schrijver ook deel te nemen aan het maatschappelijke debat. Hij is niet de schrijver die opgesloten in zijn kamer uitsluitend zijn romans schrijft. Daarnaast speelt ook een rol dat de deadline voor zijn dagelijkse column “Voetnoten” een onderdeel van zijn dagritme is geworden. Columns geven hem ook de vrijheid om op een “luchtigere” manier bezig te zijn, zoals in zijn column “De seksrabbijn”. Hoewel “luchtig”: seks is - aldus Grunberg - een serieuze zaak in het leven.

Kwaad
Krijgt hij ook boze reacties op zijn columns, gezien hun directheid en stelligheid? Jazeker. Bijvoorbeeld van een mijnheer die zelfs elke dag boos mailt. Grunberg reageert daarop niet meer. “Wel, wanneer de man zou ophouden met mailen. Wellicht is er dan iets met hem aan de hand.” Of, de vrouw die mailt dat ze zijn “Seksrabbijn” maar “smerig” vindt, maar hem smeekt niet op haar mail te reageren , want haar man leest ook haar mail. Echte boosheid betekent echter ook dat je geraakt bent. Dat de column iets met je doet.

Spontaan
Grunberg praat vlot, open ,eerlijk , spontaan . Hij heeft aan een half woord van de interviewer genoeg. “Wat een aardige man”, hoor je in de pauze. “Uit zijn boeken krijg je soms een heel ander beeld.”

Onderzoek
Grunberg is druk , schrijft veel en heeft dat ook nodig. Hij is “nieuwsgierig”. Hij herhaalt dat een paar keer. Daarin past ook dat hij voor zijn boeken onderzoek doet , zoals voor “Tirza” en zijn “embedded” meegaan naar Afghanistan en zijn werk in een psychiatrische inrichting. Op de plaats zelf beleef je dingen die je in je studeerkamer niet kunt bedenken: voorvallen, beelden, geuren, smaken. Ook het een tijdlang verblijven bij zijn moeder ziet hij als zo’n onderzoek. Hij heeft er gebruik van gemaakt in zijn roman “Moedervlekken” (2016).

“Moedervlekken” heftig
“Moedervlekken” schrijven is heftig geweest. Het “af” hebben van de roman was een “bevrijding.” Als schrijver word je door je personages “beïnvloed”. Ze krijgen greep op jouw leven. Hij had zelf het gevoel langzaam in het hoofdpersonage Kadoke te transformeren. Hij nam diens “romanstemming” over. Grunberg dacht er zelfs over ook psychiater te worden. Hij verwijst in dit verband naar een verhaal van Tsjechow - een bron voor zijn roman - waarin de psychiater uiteindelijk zelf als patiënt wordt opgenomen. “Moedervlekken” is geen biografische roman , maar natuurlijk zitten er biografische elementen in. “Moedervlekken”, verwijst ook naar zijn eigen moeder en wat ze in hem heeft nagelaten. Holtappels wijst erop dat deze roman minder “heftig” is dan we van hem gewend zijn: “De personages vallen minder diep, dan doorgaans het geval is.” Grunberg beaamt dat. “Zit er meer hoop in?” Wellicht, want Kadoke heeft als psychiater in ieder geval de opdracht duidelijk te maken dat leven een betere keuze is dan zelfdoding. Grunberg wil ook een vervolg schrijven , een tweede roman met Kadoke , maar eerst nog een andere roman. Waarom kiest hij nooit eens voor “lichtere personages”? Hij zou dat niet kunnen. De personages zelf zijn trouwens niet “zwaar”, “maar wat ze meemaken is zwaar”. In onze maatschappij is weliswaar de stemming: “iedereen gelukkig” , maar er is ook een andere kant. “Zwaar” betekent niet dat hij het leven niet omarmt. Integendeel. Hij is dan ook tegen een al te soepel euthanasiebeleid. Hij wil iemand niet het recht ontnemen op levensbeëindiging , maar het mag niet lichtvaardig gebeuren of door te soepele wetgeving gestimuleerd worden.

De jeugd
Hoe kijkt de jeugd naar zijn boeken. Hij komt veel op scholen. Het stelt hem teleur dat ze zijn personages vaak vreemd vinden. Hij denkt niet dat hij voor jeugdigen anders moet schrijven dan voor volwassenen. Wellicht is het de angst, zich te herkennen. Het houdt hem wel bezig.

Kritiek en Trump
Felle afwijzende reacties op zijn boeken doen hem niet veel meer. In het begin wel. Wat ze ook zeggen: hij zal toch blijven schrijven. Wanneer een criticus van wie hij het gevoel heeft dat die hem begrijpt, iets opmerkt, dan doet hij daar zijn voordeel mee. Hij is er van overtuigd dat het papieren boek blijft bestaan. En op een vraag uit de zaal of Trump de termijn volmaakt: “Hij vreest het ergste.” Het Witte huis zou wel een psychiater kunnen gebruiken.

Een mooie avond met een open en eerlijk gesprek met een topauteur.

Martin Thijssen


Alexander Münninghoff

22 november | Literair Café Helmond

Door Martin Thijssen | Bekijk de foto's

Jarenlang heeft Alexander Münninghoff (1944) het stilzwijgen bewaard over zijn onthutsende familiegeschiedenis en daarmee ook over zijn eigen levensverhaal. Pas in 2014 treedt hij er mee in de openbaarheid met het boek “De stamhouder”, dat overal uitermate lovend wordt besproken en met de Libris-geschiedenisprijs 2015 wordt bekroond. Een volle zaal luistert ademloos. Münninghoff is een geboren verteller en hij weet, zoals in zijn schrijfstijl, het journalistieke met het literaire te verbinden.

Een sluwe ondernemer

Zijn verhaal, dat bijna de gehele twintigste eeuw omvat, begint met Münninghoffs grootvader, een sluwe ondernemer, die in het vooroorlogse Letland puissant rijk wordt, een Russische gravin trouwt en net voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog hals over kop naar Nederland vlucht met achterlating van zijn bezittingen,om vervolgens in Nederland zijn zakenimperium opnieuw op te bouwen, waarbij hij tot op het hoogste niveau handig gebruik maakt van vriend en vijand.

Een zoon als SS-er

Het boek gaat ook over een zoon, Frans, Münninghoffs vader, die Nederland haat, zich Baltische Duitser voelt, en later vrijwillig SS-er wordt om tegen de Bolsjewieken te gaan vechten. Ook talrijke Esten traden als vrijwilliger toe tot Estische eenheden van de SS om zo aan de zijde van Duitsland, de onafhankelijkheid van hun land tegen de Sovjet- Unie te bevechten. Frans wil terug hebben wat hem is afgepakt en waardoor hij veroordeeld is tot een leven in het miezerige Nederland. Met de “Herrenvolkideologie” had dat allemaal niets te maken. Het was naïef idealisme.


Een ontvoerde stamhouder

En het boek gaat ook over Alexander Münninghoff zelf, zijnde de zoon van de SS-er Frans en de stamhouder van de familie. Door zijn grootvader wordt hij na de scheiding van zijn ouders van zijn verstoten moeder weggehaald, gewoon ontvoerd, terwijl zijn moeder in bittere armoede in een vochtig krot in Duitsland achterblijft, angstig elk contact met haar zoon en de familie mijdend , gezien de mogelijke repercussies van de oppermachtige grootvader.

Geschiedenis vanuit een persoonlijk verhaal

Münninghoff vertelt zijn verhaal zonder opsmuk, nuchter. Geen sensatieverhaal. Dat maakt het indringend en soms hartverscheurend. Hij benadert de geschiedenis vanuit een persoonlijk verhaal, waardoor je inzicht krijgt in aspecten die in de traditionele geschiedschrijving onder- belicht blijven of tamelijk abstract. Hij laat ons zien dat niet alles zwart - wit was, maar ook dat op het hoogste niveau de dingen niet allemaal zo netjes gaan als wij wellicht soms denken. Dat komt vooral tot uiting wanneer hij vertelt hoe zijn vader Frans - de gewezen SS-er en soldaat in vreemde krijgsdienst - uiteindelijk na de oorlog aan een veroordeling is ontkomen, wellicht dankzij gesprekken in “de herenkamer” van de villa van grootvader, waardoor uiteindelijk zelfs Nederlands strengste opperrechter zwichtte onder de voortdurende druk van met grootvader bevriende vooraanstaande katholieke politici.

Naar aanleiding van vragen uit de zaal maakt hij wel duidelijk dat zijn vader geen oorlogsmisdadiger is geweest. Dat was wel uit onderzoek gebleken. Aan de vervolging en uitmoording van de Joden had hij niet meegedaan. Hij was soldaat in de voorste linies en daar was het altijd “Immer vorwärts”, zei zijn vader. Wat de Joden was aangedaan, was verschrikkelijk, maar dat was verder geen thema in relatie tot het SS-er-schap van zijn vader. Van zijn grootvader mocht zijn vader over zijn oorlogservaringen nooit spreken. Grootvader was op en top vaderlander en verafschuwde de daad van zijn zoon.

Foute Nederlanders

Dat Münninghoff zolang gewacht heeft met zijn verhaal, heeft te maken met de tijdgeest. Eigenlijk nu pas komen verhalen los van kinderen van “foute” Nederlanders. Je was bang iets over je verleden te vertellen. Je liep er niet mee te koop dat je de zoon was van een SS-er. Münninghoff vergelijkt het met uit de kast komen. Het kan hier nu in Nederland.

Geen Duitse uitgever tot nu toe

Opvallend is, vertelt Münninghoff, dat zijn boek bijvoorbeeld in Duitsland tot op heden geen uitgever heeft kunnen vinden. Men vindt zijn boek te nuchter, er zit te weinig “Vergangenheitsbewältigungs-emotie” in, alsof je het verleden ook niet op een meer zakelijke manier kunt verwerken. In Frankrijk zal bijvoorbeeld wel een vertaling verschijnen.

De toekomst van de Baltische staten.

Münninghoff legt uit dat Estland en Letland als gevolg van de Russische bezetting bevolkt zijn geraakt met veel Russen ,vaak vroegere militairen, en dat in sommige grote grenssteden de Russisch-taligen de meerderheid hebben. Na de zelfstandigheid van deze landen (1990) is in Estland de beheersing van de landstaal bovendien een voorwaarde voor staatsburgerschap geworden. Onze minister Van der Stoel heeft destijds op hoog niveau tegen deze rampzalige wetgeving geprotesteerd. Münninghoff heeft van hoge Russische militairen te horen gekregen dat indien de Russisch-taligen in de grenssteden om hulp vragen, zij niet zullen schromen die te bieden. Hier schuilt een groot gevaar. Hij wijst ook op het gevaar van het steeds verder - uitdagend - opdringen van de Navo.

Met een langdurig, welverdiend applaus wordt de avond afgesloten.

Martin Thijssen

Lize Spit en Maartje Wortel geïnterviewd door Elsbeth Etty

19 oktober | Literair Café Helmond

Door Martin Thijssen | Bekijk de foto's

Op het podium twee jonge schrijfsters wier werk inmiddels overal lovend is besproken en onderscheiden: de Vlaamse Lize Spit (1988) met haar debuutroman “Het smelt” en de Nederlandse Maartje Wortel (1982) met haar recent verschenen “IJstijd” en “Goudvissen en beton”. Een inspirerende avond over thema’s als “de zoekende” mens en “gemankeerde” menselijke relaties. Maar ook over hoe een schrijver de wereld observeert en als stof voor zijn boeken verwerkt, en over waar de grens ligt in verband met herkenbaarheid en kwetsbaarheid. En: Lees je zelf als schrijver? Inspireert het werk van anderen je, of juist niet, mijd je het? En wat doet kritiek met je? Een avond - met ook veel ontspannen gelach - die uitstekend werd geleid door Elsbeth Etty, bijzonder hoogleraar kunstkritiek.

Das Mag

Beide schrijfsters zijn het boegbeeld van de jonge uitgeverij Das Mag. Ze hebben bewust voor deze uitgeverij gekozen, omdat het in grote uitgeverijen veelal “vechten om een plek” is. Hier bij Das Mag gaat het om “jou en jouw werk”. Het is “net een familie ,die je al direct mist als je maar even weg bent geweest”, aldus Lize Spit.


Maartje Wortel

De overeenkomst tussen Maartje Wortel en Lize Spit is, dat beiden een heldere taal schrijven. En dan komen de verschillen. Het gaat Maartje Wortel niet primair om een verhaal met een plot en het uitwerken en uitdiepen van personages. Maartje Wortel stelt in haar werk vragen en roept vragen op met soms absurdistische middelen. Het gaat haar om de zoekende mens. Er blijft in het menselijk bestaan altijd ruimte tussen jezelf en de ander. Die ruimte is vrijheid, maar leidt ook naar zoeken om houvast. Ze verwijst naar Camus’ Sisyphus, die telkens weer de steen naar boven rolt, hoewel hij weet dat die terugrolt en hij weer opnieuw moet beginnen. Maar deze absurditeit biedt contact en houvast. Maartje Wortel noemt uit haar eigen werk de man die elke dag naar een lantaarnpaal loopt, die aantikt, en met de taxi terugkeert. Of het verhaal dat ze voorleest over de “krankzinnige” vader die achter het raam van het gesticht naar molens blijft blazen, om de wieken in gang te zetten, elke dag weer opnieuw. Maar ook de hoofdpersoon in “IJstijd”, is op zoek naar houvast in zijn bestaan. Hij vindt die in de liefde, maar verliest die weer en zal weer opnieuw op zoek gaan.

Op de vraag of ze niet een familieroman zou kunnen of willen schrijven zoals Lize Spit, antwoordt ze dat ze dat nu niet aandurft. Er zal te veel herkenbaars zijn en ze zou mensen , bijvoorbeeld haar nog levende ouders, kunnen kwetsen, ook al weet ze dat in fictie niet alles één op één is, maar toch.


Lize Spit

Lize Spit werkt personages uit en stuurt met thrillerachtige spanning naar een heftige afloop. Haar stof haalt ze uit haar jeugd. Haar mensen zijn “gemankeerd”, zoals iemand in de zaal opmerkt. Maar zonder gemankeerde mensen geen roman, is haar reactie. Perfecte mensen, zou de literaire lezer alleen maar achterdochtig maken. En de mens is per definitie gemankeerd.

Kern in haar roman “Het smelt” is een gezin dat in alle opzichten “onaf” is, waar de ouders hun verantwoordelijkheid in feite overlaten aan de kinderen. Gruwelijk is het door haar voorgelezen fragment waarin de vader zijn dochter de strop laat zien waarmee hij zich zou kunnen verhangen en ook hoe hij dat het beste zou kunnen doen.

Lize Spit heeft de stof voor haar roman jaren met zich meegedragen: Gebeurtenissen, beelden en personages uit haar jeugdomgeving die bruikbaar zijn. Ze observeert altijd en kijkt wat in een boek bruikbaar is. Zoals onlangs nog bij een begrafenis. Maar dat is ook verwerking.

Op een gegeven moment voelde ze dat nog langer rondlopen met de roman in haar hoofd, ertoe zou leiden dat die haar ontglipte. Ze had ook - zoals Maartje Wortel - met het probleem te maken van herkenbaarheid en kwetsbaarheid. Maar zegt ze:“Ik ben een in werkelijkheid een zachtaardig persoon”, maar daar waar het haar schrijverschap betreft, is ze “genadeloos”. Ze wist dat als ze te lang bleef aarzelen, de roman er nooit zou komen. Ze is als in een roes in een razend tempo gaan schrijven. En heeft hem in korte tijd op papier gezet. En natuurlijk herkennen mensen zich of denken zich te herkennen, en ze zijn soms ook teleurgesteld omdat ze zichzelf niet “vastgelegd” vinden.

Voorbeelden

Voor Maartje Wortel is Tsjechow het grote voorbeeld. Tsjechow geeft geen oordeel over zijn personages en hun denken en handelen, dat laat hij aan zijn lezers over. Dat is ook wat Maartje Wortel beoogt, de lezer zelf laten denken. De korte verhalen van Tsjechow zou ze mee naar een onbewoond eiland willen nemen. Lize Spit leest tot nu toe niet veel van anderen. Ze is bang of om beïnvloed te worden, of om te denken dit is zo goed dat wat heb ik hieraan nog toe te voegen. Maartje Wortel zegt dat de confrontatie met een ander, je ook kan leren je eigen stijl te herkennen en te vormen. Ze is niet meer bang voor beïnvloeding. Ze heeft haar eigen stijl en voelt dit ben ik wel of niet. Lize voelt zich nog kwetsbaar.

Toekomst en kritiek

Maartje Wortel zegt dat ze moet schrijven, het is een dwang, hoe dan ook. Lize Spit voelt de druk van een succesauteur die verwachtingen heeft gewekt. Al meer dan honderdduizend exemplaren zijn verkocht en aan meer dan tien landen de vertaalrechten. Maartje Wortel: “Lize, je hoeft niet bang te zijn, jij komt er wel.” Kritiek pakt Lize Spit hard aan. Met name wat op twitter verschijnt. Maartje Wortel is meer gehard. “Lize, twitteraars weten vaak niet wat ze doen.”

Een openhartig gesprek tussen twee vernieuwende schrijfsters die elkaar ieder hun succes gunnen, een geweldige avond.

Martin Thijssen



Joke van Leeuwen

21 september | Literair Café Helmond

Door Martin Thijssen | Bekijk de foto's

Een volle zaal, met ook verheugend veel jonge mensen, bij het begin van het nieuwe seizoen van het Literaire Café Helmond. De hoofdgast , Joke van Leeuwen, wordt voorafgaan door Tania Heimans, de Helmondse stadsschrijver. Ze is bezig in veertien workshops verhalen te verzamelen van Helmonders: “Verhalen die verteld moeten worden” , waarbij ze verwijst naar het meisje Elisabeth op de cover van haar laatste boek “Huis met de leeuwen”. Ze interviewde haar als inmiddels 90 jarige , een als zwijgzaam en nauwelijks toegankelijk, bekend staande vrouw , die dan tegen haar zegt : “Nu weet ik waarom ik zo lang heb geleefd, want mijn verhaal moest ooit verteld worden”. De verhalen die Tania Heimans met de workshops verzamelt zullen later worden gepubliceerd en wel op een speciale manier vormgegeven door Rolf Thijssen.

Veelzijdig
Joke van Leeuwen is veelzijdig. Ze schrijft poëzie en proza, kinderboeken en romans voor volwassenen. De laatste twee zijn “De onervarenen”( 2012), waarvoor ze de AKO –literatuurprijs kreeg en “Feest van het begin” (2014) dat de shortlist van de Libris-literatuurprijs bereikte. Ze is ook illustrator en heeft een achtergrond als cabaretier. Dat laatste is aan haar schitterende, droogkomische presentatie goed te merken. Ze weet daarmee herhaaldelijk lachsalvo’s te ontlokken. Licht en zwaar wisselen elkaar af in haar verhaal en in de teksten die ze voorleest. Ze brengt haar boodschap met humor, maar wel met scherpte daar waar het bekrompen, onderdrukkende opvattingen over de vrouw betreft, de uitwassen van consumptie-selfie-maatschappij, de vergeten en weggedrukte mens, en de taalverloedering. Maar nogmaals ze doet het speels. Ze roept een lach op, maar stemt ook tot nadenken. Haar taalgebruik is een prachtige soepele mix van oud en nieuw met schitterende vondsten. Ze jongleert met taal.

Nederbelg
Joke van Leeuwen groeide op in België en Nederland en kan zaken “verfrissend” van twee kanten bekijken: Van Speijk met zijn dan “liever de lucht in” is in “Holland” weliswaar een held. In België viert men de bevrijding van de “Hollanders” en wijst men op van Speijks talloze burgerslachtoffers. De tweezijdigheid in woon- en leefplek heeft bij haar voor een bredere kritische kijk gezorgd. De talige kant van haar Belgisch - Nederlandse tweezijdigheid heeft ze lichtvoetig verwoord in het gedicht “Nederbelg”. (Uit “Woorden op bezoek”, Rainbow 2015)

“Een Nederbelg spreekt
(…)
veel gezemel en gezaag
is ook veel gezeik
als ons kind op kamers gaat
gaat ons kind op kot
wie gebuisd is, is gezakt
en een dwaas is een zot
ben je de pedalen kwijt
dan ook vast de kluts
(….)
zo kan ik lang doorgaan, ja
dan doe ik lang voort
want die taal van hier en daar
die van zuid en noord
is, allee
best wel oké
is gewoon
wreed schoon.“

Haar vormkeuze in de poëzie is breed. Haar taalgebruik is soepel, zoals uit de prachtige gedichten blijkt, die ze uit haar bundel “Woorden op zoek” voorleest. Zware dingen licht en toch op nadenkend stemmende wijze verwoorden, dat kan ze.

Vrouwen in de verdrukking
In haar twee laatste romans, die historische thema’s hebben - de grote emigratie halverwege de negentiende eeuw (“De onervarenen”) en de Franse Revolutie (“Feest van het begin”), spelen vrouwen die in de verdrukking raken en keuzes moeten maken om te overleven een grote rol. Ze laat met opzet geschiedkundige feiten (namen, plaatsen ,tijden) zoveel mogelijk weg, om het “O, dat weet ik” of “O, dat ken ik” bij de lezer te vermijden. Het gaat haar om de personages: hun voelen en denken en dilemma’s. Uit de voorgelezen passages blijkt dat ze een rustig ingetogen proza schrijft met mooie beelden. En ook hier weer zwaar en licht naast elkaar.

Menselijk mededogen
Haar menselijk mededogen blijkt onder andere uit “Gedichten voor de eenzame uitvaart”, ook uit de bundel “Woorden op bezoek” Het zijn gedichten voorgelezen bij een korte, hooguit een kwartiertje durende begrafenis van eenzamen. Een strofe uit een voorgelezen gedicht.

“Voor J.V.D Gekregen als begin: een voornaam, achternaam.
Zo leren lopen op twee benen. Vanzelf wordt wie
een leven heeft eerst groot, dan oud. Hij was
verpleger voor zijn brood , zeg aan wiens bed.
(…)”

Een mooie avond met licht en zwaar, en afgesloten met een lang, welverdiend applaus.

Martin Thijssen


Het hedendaagse Duitsland

16 maart | Literair Café Helmond

Door Martin Thijssen | Bekijk de foto's

“Duitsers blijken veel aardiger te zijn dan ik altijd heb gedacht en de oorlog kom je in Duitsland nog elke dag tegen”, aldus oud-NOS-correspondent, Margriet Brandsma, hoofdgast op de literaire avond over Duitsland. Ze verwoordt daarmee tevens het algemeen gevoelen van zes door haar geïnterviewde Nederlandse Duitsland-correspondenten. Deze interviews zijn gebundeld in haar recent verschenen boek “Was wir noch zu sagen hätten”.

Brandsma kan vertellen en weet een zaal met bijna vijfhonderd bezoekers ademloos bij haar lezing te houden. Ze krijgt het woord nadat stadsschrijver Tania Heimans de Helmondse kinderboekenschrijfster,To Hölscher (1898-1953), weer even op amusante wijze aan een mogelijke vergetelheid heeft ontrukt.

Lees het verhaal van Stadsschrijver Tania Heimans.

Duitsland, vanwege de oorlog lang door Nederlanders gemeden, wordt nu algemeen gezien als voorbeeldland. Het is het land dat de crises goed doorstaan heeft en leidend is in Europa, mede dank zij Angela Merkel. Het is ook het land dat zijn verleden niet vergeet en eigenlijk dagelijks nog met de verwerking ervan bezig is. Die verwerking is vooral op gang gekomen na de televisieserie “Holocaust” 1978 . Kinderen gingen bij het zien van de indringende beelden hun ouders vragen: “Waar waren jullie toen?”, “Wat hebben jullie gedaan?”

Aan de fundamentele debatten over het verleden heeft het openbare debat in Duitsland een moraliserend tintje overgehouden, zoals onlangs bleek naar aanleiding van de gebeurtenissen in Keulen tijdens oudjaar. Men is o, zo bang, niet politiek correct over te komen. Ook het tot stand komen van het gigantische gedenkteken (Mahnmal) in Berlijn , bestaande uit ruim 2700 blokken beton, heeft veel destijds weer veel discussie losgemaakt, vooral toen bleek dat de verf die het beton tegen graffiti moest beschermen van een fabriek kwam die in de oorlog voor het vernietigingsgas had gezorgd. Het monument moest weg. De Joodse gemeenschap is toen ingesprongen en heeft duidelijk gemaakt dat men de Duitse infrastructuur en alle grote bedrijven wel kon ontmantelen, want de spoorwegen hadden de joden vervoerd en Krupp had voor zware wapens gezorgd, etc. Dit alles blijft een onderdeel van de Duitse geschiedenis. Brandsma gaat uitvoerig in op de val van de muur in 1989. De hereniging werd toen onder andere in Nederland nog als een bedreiging gezien, wat tot een gespannen relatie leidde tussen de toenmalige ministerpresident Lubbers en bondskanselier Helmuth Kohl. Brandsma: “De verstandhouding tussen Merkel en Rutte , hoewel beiden van verschillende politieke partijen zijn, is volgens insiders uitstekend.”

Voor een stad als Berlijn betekende de eenwording een gigantische verandering. Beide delen - West en Oost - hadden voordelen van hun aparte status gehad. Die vielen nu weg. Bovendien was er veel dubbel en dus te veel: vliegvelden, stations, overheidsgebouwen, culturele inrichtingen, etc. Maar voor heel Oost-Duitsland gold dat men het gevoel had geannexeerd te worden. West-Duitsland werd het Oosten opgedrongen. De Ossies golden als tweederangs, terwijl zij altijd gehoord hadden dat het fascisme in de DDR was uitgeroeid en dat in het Westen nog steeds de Nazi’s aan de macht waren. Daarbij kwam het wegvallen van honderdduizenden arbeidsplaatsen als gevolg van de verouderde industrie, en daar waar arbeidsplaatsen kwamen moest je concurreren met anderen. Het Oosten is conservatiever, meer op zich, en vreest het vreemde , zoals de islamitische vluchtelingen.

Angela Merkel heeft ze binnengehaald met haar “Willkommenspolitik”. Maar kon ze anders? Margriet Brandsma geeft een schets van Merkel. Ze is in de DDR opgegroeid en heeft zich daar van de politiek afzijdig gehouden. Een keer is ze door de Stasi benaderd en heeft toen gezegd dat zij(!) te loslippig was voor dat soort spionagewerk. Merkel heeft altijd een doel voor ogen en werkt daar gestaag naar toe. Dat de vluchtelingen naar Duitsland zouden komen was overduidelijk na de wereldwijd verspreide selfies van Merkel met vluchtelingen. De vraag was alleen: Hoeveel en wanneer? Zij vond dat Duitsland als machtigste land van Europa niet kon weigeren een groot aantal van hen op te nemen. Wat zouden de andere landen anders gezegd hebben? Bovendien zou dat ook indruisen tegen haar geloof dat naastenliefde preekt. Ze heeft het initiatief genomen als leidende politicus. Het is glad ijs, maar zij is nog steeds populair. Politiek heeft ze wel een probleem nu naast de CDU met de rechtse CSU (Beieren) een populistisch rechtse partij is ontstaan (AfD), die vooral ook op aanhang in het conservatievere Oosten kan rekenen. Margriet Brandsma verwacht dat Merkel de klus van het vluchtelingenprobleem zal afmaken.

Duitsland is ook het land van de “Dichter und Denker”. Antoon van Aerle vertelde over zijn leeservaring naar aanleiding van de heruitgave van Bölls “Biljarten om half tien”, en Bert Kuijpers gaf een mooie interpretatie van Rilkes gedicht “Der Panther”. De componist, performer en klankdichter, Horst Rickels, zong met zijn eigen begeleiding liederen van Heine: “Alte Liebe” ,en Hesse: “Königskind”.

Een avond die een boeiend beeld gaf van het hedendaagse Duitsland.

Martin Thijssen


Afscheid van de stadsschrijver Abdelkader Benali

27 januari | Literair Café Helmond

Door Martin Thijssen | Bekijk de foto's

Voor een overvolle zaal liet Abdelkader Benali tijdens zijn door hem aangeboden afscheidsavond nog eens zien wat hij in huis heeft. En dat is veel. Caleidoscopisch laat hij Helmond en de Helmonder nog een keer de revue passeren. Het is in proza en poëzie vastgelegd in een prachtig afscheidsboekje met op de cover Benali als hofnar met narrenkap en narrenstok. 

Ontwerp: Deamer Media Design

Inderdaad met ernst en luim heeft hij de stad de narrenspiegel voorgehouden, zich niet laten inkapselen en eigengereide keuzes gemaakt en die eigenzinnig verwoord.

Een jaar lang heeft hij in een “lat-relatie” met reizen tussen Amsterdam en Helmond de stad en de mensen leren kennen. De stad waar als in geen enkele andere “etenstijd ook echt etenstijd is”, zo zei hij het in een laatste karakterisering, die ik nog nooit had gehoord,  ook niet van Wim Daniels. 
Helmond is voor hem ook de stad van de vroegere industriëlen met borrel en sigaar en de stad van de hard werkende mensen van ruwe bolster en blanke pit, maar Benali laat ook andere dingen zien en die staan ook in zijn afscheidsboekje. Mooie onbekende kanten, waarvan je merkt dat ze zijn liefde hebben. Op het podium van zijn afscheidsavond heeft hij daarvoor ruimte gemaakt. 

 

Zo nodigt hij de veertienjarige Marokkaanse Romaisa uit, het meisje dat hij in het gemeenschapshuis De Fonkel heeft horen zingen. Met haar mobieltje als begeleiding in haar hand zingt ze, ingetogen en ontroerend mooi, een waarschijnlijk religieus lied. Je merkt Benali’s betrokkenheid. 
En dat geldt ook voor Hans van Bragt, de chocolatier uit de Cacaofabriek die zijn bonbons lief heeft als een vrouw en ze als zodanig prijst. In het gesprek met hem haalt Benali de historie van De Cacaofabriek naar boven en laat hij hem vertellen over de exotische chocoladesmaak van de Helmonder, waarna van Bragt zegt dat hij voor de meer dan vijfhonderd bezoekers drie smaken bonbons heeft klaargezet. Het water loopt je uit de mond. En “bij  vijftien bonbons per dag , blijf je ook nog slank”, aldus Hans van Bragt. 
Na de kunst van de chocolatier komt Elvira Wersche ,de zandkunstenares, aan het woord. Benali heeft haar zandmozaïeken in de Cacaofabriek gezien en was ondersteboven. Herinneringen aan zijn jeugd in Marokko komen naar boven: het lijnenspel en de kleuren van de mozaïek- kunst daar. Elvira vertelt over haar fascinatie voor zand.  Duizenden zakjes heeft ze uit alle landen. In het mozaïek dat ze voor deze avond gemaakt heeft, is “politiek zand” uit Syrië verwerkt. Zand dat ze nu niet meer aan kan. 

De nieuwe stadsschrijver is de geprezen Helmondse auteur: Tania Heimans. Wethouder Stienen maakt haar naam  bekend en vertelt van zijn worsteling tussen een stadskunstenaar ( dus geen schrijver) van buiten en een stadsschrijver van binnen. Maar gezien de ambitie van Tania Heimans - mensen uit de wijken zelf ook hun verhalen laten schrijven en helpen schrijven - is hij overstag gegaan. Tania Heimans wordt met een warm applaus ontvangen. Wethouder Stienen houdt op deze voorleesdag ook nog een warm pleidooi voor voorlezen door ouders.

Na de pauze brengt Benali het muziektheaterstuk “Brief aan mijn dochter”, geschreven naar aanleiding van de geboorte van zijn dochter. Hij doet dat samen met de bekende harpiste Lavinia Meijer en voor de percussie Christiaan Saris. Abdelkader leest de teksten. Het stuk gaat over liefde en geboorte, over liefhebben en verlaten, waarin persoonlijke ervaringen van Abdelkader Benali en Lavinia Meijer verwerkt zijn. Mooi en ingetogen, ontroerend en heavy, met meeslepend harpspel van Lavinia Meijer en perfect ondersteunde percussie van Christaan Saris. De zaal wordt er op momenten doodstil van.

En dan als ontlading een performance-achtige afsluiting van de avond waarbij Abdelkader Benali en Tania Heimans al dansend het zandmozaïek vertrappen en bezoekers het zand verzamelen, al dan niet genietend van de heerlijke bonbons van Hans van Bragt.

Ook dit was Helmond. Helmond uit een heel andere invalshoek, de Benali-hoek. Een mooie hoek. Het was een eer Benali in Helmond te hebben. Tania Heimans heeft er als opvolgende stadsschrijver zin in. Op facebook neemt ze het stokje over van Benali. Het boekje “Benali in Helmond” is voor 6,50 euro bij de boekhandels in Helmond te koop en voor 10,00 euro (incl. verzendkosten) via Bol.com!

Een prachtige avond.

Martin Thijssen


Leo en Tineke Vroman door Mirjam van Hengel en Jetske Spanjer

17 november | Literair Café Helmond

Door Martin Thijssen | Bekijk de foto's

“Geweldig zo’n volle zaal , meer dan 500 bezoekers , dat maak ik zelden mee”, roept Mirjam van Hengel uit, auteur van het veel geprezen boek “Hoe mooi alles” (Querido), een relaas over de bijzondere liefde tussen Leo Vroman (1915- 2014) en zijn “meisje” en latere vrouw Tineke Vroman. Op een vraag, later op de avond, wat Vroman zelf zou vinden van de aandacht voor hem, antwoordt Van Hengel: “Hij zou dat geweldig vinden.” Ze vertelt dat hij lovende aandacht nodig had. Toen Koolhaas een keer een minder prijzende recensie had geschreven, heeft hij vijf jaar niet meer gedicht. Mirjam van Hengel steekt van wal met een mooi verteld verhaal over een van de grote dichters van ons land en de schepper van de beroemde versregels uit het gedicht “Vrede”:

“Kom vanavond met verhalen 
Hoe de oorlog is verdwenen
En herhaal ze honderd malen
Alle malen zal ik wenen.”

Leo Vroman, komende uit een streng Joods intellectueel gezin in Gouda, met dwingende eisen ten aanzien van de carrière van hun kinderen, gaat in Utrecht biologie studeren. Hier leert hij Tineke kennen, die vanuit Nederlands Indië is gekomen om medicijnen te studeren. Nederland was voor haar moeder ook een mogelijkheid om aan het slechte huwelijk te ontsnappen. Vader blijft in Indië. Voor Leo was het met Tineke direct liefde op het eerste gezicht. Zij ziet hem aanvankelijk als een ouwelijke, niet knappe student (grote Joodse neus), maar ze kan met hem praten en hij heeft humor. Op een zeker moment stelt ze zich voor hoe hij ’s ochtends met nog verwarde haren aan het ontbijt zit, en ze weet dan dat hij haar man zal worden. In 1938 volgt de verloving.

Mirjam van Hengel was bij Querido Vromans redacteur. Ze gaat in op een uitnodiging om naar Forth Worth in Texas te komen waar Leo en Tineke wonen. (Vanaf 1947 wonen de Vromans in de VS.) Inmiddels op hoge leeftijd, ziet ze de twee naast elkaar op de bank zitten. Hij steeds weer grapjes makend en haar liefdevol strelend. Over hun bijzondere liefde besluit Van Hengel te gaan schrijven aan de hand van gesprekken, dagboeken en brieven. Die brieven (honderden) krijgt ze eerst niet. Vroman: Het zijn “schunnige brieven”; “paren op papier”. En dan mag ze de brieven toch lezen, allemaal. En inderdaad daarin blijft niets onbenoemd. Wat ze voelen, denken en fantaseren ten aanzien van liefde en seks is een open boek. Van Hengel gaat er in haar boek prudent mee om.

Uit de brieven leest ze voor en ze geeft als commentaar: “Soms B-film- achtig, met violen die je hoort zingen.” Je hoort in de voorgelezen passages ook de Vroman-achtige, abrupte stijlverschuivingen, kenmerkend ook voor zijn gedichten. Soortgelijke ,onverwachte, soms onzinnig aandoende wendingen gebruikt Vroman zo nu en dan ook bij het beantwoorden van door Van Hengel gestelde interviewvragen: Omdat ze hem niet passen? Of: gewoon als humor, om de serieusheid te relativeren? Wanneer Van Hengel hem een keer vraagt of hij gedichten van buiten kent, antwoordt hij ontkennend. En als ze dan, om hem op weg te helpen, citeert uit zijn bekendste gedicht “Vrede”: “Alle malen zal ik wenen”, gaat hij lachend verder: “En er toch helemaal niets van menen.” Hem interviewen was niet altijd gemakkelijk. Hij kon ook dichtslaan. Dat blijkt, wanneer ze het met hem over het einde van de oorlogstijd heeft.

Vroman neemt in 1940 als Jood het besluit om te vluchten. Tineke wil mee, maar mag van haar ouders niet. Met de laatste gelegenheid vertrekt hij met de boot naar Engeland en gaat vervolgens naar Nederlands Indië en komt in vijf Jappenkampen terecht, eerst in Indië en later in Japan.

Het zijn voor beiden jaren van grote onzekerheid. De een weet niet van de ander of hij of zij nog leeft. Met behulp foto’s van Tineke (wat achteraf niet blijkt te kloppen) en zijn dagboeken waarin hij schrijft over zijn gevoelens voor Tineke en over zijn kampervaringen, (geïllustreerd met tekeningen), slaat hij zich er doorheen. Tineke blijft hem al die jaren trouw, ook zij legt haar gevoelens vast in haar dagboeken.

Na de oorlog lukt het Vroman om onder de dienstplicht in Indië uit te komen. Hij gaat naar de VS en keert niet eerst terug naar Nederland , naar zijn Tineke. Hij schrijft haar: “Groot nieuws, ik kom niet naar Nederland.” Tineke accepteert dat, maakt eerst haar studie af en dan in 1947 trouwen ze in de VS en blijven daar: hij als wetenschapper, dichter en tekenaar, zij als onderzoekster.

EVroman is zich over zijn besluit van destijds om zonder enig overleg met Tineke niet eerst naar Nederland te gaan, schuldig blijven voelen. Hij klapt dicht als Mirjam van Hengel hem hierover vragen stelt. Hij vertelt wel over nachtmerries waarin hij tevergeefs op zoek gaat naar Tineke en haar niet kan bereiken.

Uit zijn gedichten heeft Mirjam van Hengel een keuze gemaakt in “Alle malen zal ik wenen” (Querido). Vroman zelf wilde altijd alles uitgeven, omdat het allemaal een deel van zijn persoon was, zowel het goede en het minder goede. Met de ondertitel “Het mooiste van Leo Vroman”, zou hij het dus “hartgrondig” oneens zijn, aldus Van Hengel. Vromans poëzie is volgens haar: “autobiografie” . Hij noemt zijn eigen naam en die van zijn geliefde Tineke dan ook veelvuldig en schrijft “grotendeels direct vanuit en over zichzelf”.

De documentairemaakster Jetske Spanjer komt na de pauze aan het woord. Ze laat aan de hand van fragmenten uit een door haar gemaakte film over Vroman zien hoe hij tekent en dicht en ook als wetenschapper werkzaam is. Maar ze heeft hem ook ervaren als een uiterst beminnelijk en attent iemand. We zien ook Vromans laatste beelden, wanneer hij skypend gedichten voorleest voor Poetry International en nog steeds prachtig, accentvrij Nederlands spreekt. We zien Tineke en hem naast elkaar op de bank zitten, zoals vroeger, aandoenlijk mooi.

Reacties: “Een prachtige, informatieve avond over een van onze grote dichters”; “Een avond “die uitnodigt om het werk van een van onze grote dichters te gaan lezen of weer eens te herlezen. “, en ook: “Hoe mooi kan liefde zijn!”

Martin Thijssen




Lid worden?

Vanaf € 60.- bent u donateur van het Literair Café Helmond. U heeft gratis toegang tot onze 6 literaire avonden en mag bovendien gratis 1 introducé meenemen. Zo bespaart u 50% ! Ook ontvangt u voor elke avond informatie over de schrijver (per email en eventueel per post).

Nieuwe donateurs kunnen zich aanmelden via het aanmeldformulier op deze website of bij het secretariaat:

Wethouder van Wellaan 142
5703 CN Helmond
Tel. 0492 532496

Losse kaartjes kosten € 10,00 (tot 18 jaar € 5,00)
Kaarten zijn alleen aan de zaal verkrijgbaar.
Reservering van plaatsen is niet mogelijk.