Arita Baaijens

24 april | Literair Café Helmond
Door Martin Thijssen | Bekijk de foto's

Arita Baaijens(1956) , ontdekkingsreiziger, bioloog en schrijver, komt op het podium  met een handmicrofoon en begint , heen en weer lopend,  haar boeiende verhaal. Ze is als mens een “ongedurig” type, ze wil van alles en moet ruimte en leegte om zich heen hebben, zoals de Egyptische woestijn haar die bood en waarin ze op een kameel twintig jaar heeft  rond- gezworven. Haar boek “Desert songs” (2008)  is hiervan een verslag.
In de  doodse leegte en ruimte van de woestijn kwam zij juist tot leven. Eigenlijk vreemd voor een bioloog, die je veeleer in katzwijm ziet vallen voor wat  leeft en bloeit. Ze kan het zelf ook niet echt verklaren. Misschien omdat je in de woestijn helemaal jezelf kunt zijn, je kunt in de totale leegte “alle maskers laten vallen”. “Niets leid je af van de essentie van het bestaan”. Maar na twintig jaar zwerven op een kameel door het hete woestijnzand was de betovering over en zocht ze een andere “obsessie”.

Een nieuwe missie
Er moest een ontstane leegte opgevuld worden.  Ze moest een nieuwe missie krijgen en daarmee tekst om te kunnen schrijven. Ze raakt in een crises, waar ze rijk uitkomt, en die Rilkes prachtige woorden bewaarheidt, die ze ook  als motto in haar laatste boek “Zoektocht naar het paradijs”( 2016) gebruikt: “Men moet de dingen een eigen, stille ongestoorde ontwikkeling laten. (…).Men moet geduld hebben.(…) Als men de vragen leeft, leeft men misschien geleidelijk, zonder het te merken, op zekere dag de antwoorden binnen.”

Extreem en risicovol
Wat ze zocht moest iets zijn met “extreme landschappen”  en het moest “risicovol” zijn. Ze komt bij haar zoektocht in Siberië terecht in het Altajgebergte dat gedeeld  wordt door Kazakstan, China, Mongolië en Rusland. Hier krijgt ze tijdens een congres van een hoogleraar de suggestie om op zoek te gaan naar het mythische koninkrijk Shambhala geheten, een utopisch oord dat volgens oude kaarten te vinden zou zijn in het Altajgebergte in Siberië. Het zou gaan om een vallei omringd door ijzige bergreuzen. Zelf geloofde  ze eigenlijk niet in het bestaan van een paradijselijke mysterieuze vallei waar mensen eeuwig zouden leven,  maar ze  is toch op zoek  gegaan omdat haar  leven “een grote puinhoop” was. Te  paard met een stoere Amerikaan (“Cowboy”) als reisgezel, gaat ze de nieuwe  uitdaging aan.

Een andere opvatting van werkelijkheid en waarheid.
Haar nieuwe ontdekking  is niet de mysterieuze vallei, maar wel dat  de mensen die ze daar in het gebergte ontmoet een heel  andere werkelijkheid kennen dan wij met onze “westerse” positivistische opvattingen van wat wel en niet waar is, en van wat wel en niet bestaat. Werkelijk is voor ons wat bewijsbaar is. En in de natuur is voor ons een berg een berg, een boom een boom, een rivier een rivier, etc. Maar zij komt  in een wereld  waar de natuur “bezield” is en alles met alles samenhangt. Plekken kunnen heilig zijn. Er zijn geesten die je kunt verstoren. Hoe je dingen doet , gebruikt,  neerlegt, etc. ,  is vaak aan rituelen gebonden, verwijzend naar een andere werkelijkheid  Kortom ze leert de andere wereld van de bezielde werkelijkheid kennen en laat die toe.  Ze voelt zich als Alice in wonderland, die via een konijnenholletje in een andere wereld terecht komt. Het is een werkelijkheid die  niet onze werkelijkheid is, maar wel een ook leefbare. Een visie op de werkelijkheid die je als rationalist kunt ontkennen, maar die je ook kunt accepteren als mogelijkheid. Zo vertelt ze ook dat ze onlangs in Nieuw - Guinea  jagers heeft ontmoet die zeggen de taal van de vogels te verstaan, en die hun vooraf de jachtbuit of het weer voorspellen.

“Deepmaps”
Arita Baaijens is als resultante van haar reis vooral geboeid geraakt  door plaatsen waar groepen  mensen zich “emotioneel” mee verbonden voelen, en waar je af moet blijven en die je “leeg” moet laten. Een soort “heilige plaatsen”. Ze noemt ze  “Chora” in tegenstelling tot de  “gewone plekken” die ze “locaties” noemt . Ze hebben een bijna mythische betekenis, zoals het “heilige land” van de indianen, waar  Trump toch respectloos een pipeline doorheen gaat leggen. Ze is in Nederland  met een projectgroep  bezig om deze bijzondere plaatsen , die er ook in ons land overal blijken te zijn , vast te leggen op speciale kaarten,  zogenaamde “Deepmaps” (werknaam). 

Komt de romantiek met de bezielde  natuur weer voor een stukje terug? Is dit een reactie op een  maatschappij waar meten is weten geldt? Moeten we weer oog krijgen voor andere werkelijkheden, en daar ook niet bang voor zijn?

Een intrigerende avond met enorm veel enthousiaste reacties.

Namens het Literair Café ook dank aan Theater het Speelhuis voor gebruik van de zaal.

Martin Thijssen

Herman Koch, meester in lezersmisleiding

14 maart| Literair Café Helmond
Door Martin Thijssen |

Een volle zaal. Herman Koch is een vlotte , aangename spreker en Udo Holtappels als zijn interviewer maakt er gretig en deskundig gebruik van.

“Kochiaans”
In zijn inleiding noemt de voorzitter van het literair Café Herman Koch (1953) een “meester in lezersmisleiding”: “U gaat vaak uit van een situatie ,een voorval , een gedachte, en geeft daarop via een vertellend personage uw kijk, en de lezer volgt, waarbij de verteller dan plotseling weer een andere, ook mogelijke invalshoek neemt. En als lezer denk je dan: ja, zo kan het ook zijn, zo zou je het ook kunnen zien. En uiteindelijk zie je als lezer dat je toch nog verrassend op het verkeerde been bent gezet, of zelfs helemaal geen been meer hebt om op te staan, want de ironie als stijlmiddel weet u bloed serieus te hanteren.”

De Greppel
Als voorbeeld wordt genoemd Kochs laatste roman “De Greppel” (2016), waarin vanuit de paranoïde achterdocht van de hoofdpersoon allerlei scenario’s worden doorgespeeld omtrent het mogelijk vreemdgaan van zijn vrouw. De lezer wordt daarmee allengs in een typisch “Kochiaanse suspense - sfeer” getrokken.

Verderop in het gesprek zal Koch op de vraag wat hij zelf onder “Kochiaans” verstaat, zeggen dat hij aan deze karakterisering als schrijver geen inhoud wil geven. Hij maakt tussen de regels door wel duidelijk dat hij “Kochiaans” toch wel als een geuzennaam ziet.


Atheïst?
Inspelend op de actualiteit – het overlijden van Stephen Hawking – en de gesprekken in Kochs roman “De Greppel” over het vraagstuk van “het ontstaan en de eindigheid van het heelal”, en het “waarom” ervan, vraagt Udo Holtappels of Koch soms atheïst is? Koch zegt dat hij destijds het boek “Waren de Goden Kosmonauten?” van Erich von Däneken” wel heeft verslonden, maar dat hij zich toen wellicht afzette tegen een religieuze opvoeding, maar dat hij nu toch wel een lichte hang naar het mystieke kent en dat” religieuze mensen en religiositeit respect verdienen”. Er is meer dan wij kunnen zien en denken. Zo moeten we ook de rol van de lijster zien in zijn boek “De Greppel”, waarvan de hoofdpersoon denkt dat het wellicht zijn overleden moeder is, die in vogelgedaante verschijnt.

Geen planmatig schrijven
Hij heeft altijd al schrijver willen worden en verzon op school al stoere verhalen over veldslagen tussen groepen leerlingen, die hij dan thuis als waar vertelde. “Je was dus de eerste maker van nepnieuws ? ”, aldus Holtappels. Stoere verhalen vertellen was voor hem als verlegen ventje een mogelijkheid om zich te profileren. “Stoere verhalen” , merkt hij nog op, “horen bij mannen. Vrouwen zijn meer van de feiten”. Zo moet je volgens hem man en vrouw nooit samen een stoer vakantieverhaal laten vertellen, want dat gaat dan zo: “Maar ,Jan , we waren toch al voor dat verschrikkelijke onweer uitbarstte binnen, we waren toch op tijd in het café. Jij had je eerste biertje al voor je.” Koch vertelt dat hij niet schrijft aan de hand van een schema , laat staan met een al uitgewerkt plot. Dat zou voor hem de dood in de schrijverspot zijn. De roman schrijft zich als het ware gaande het schrijven zelf. Natuurlijk heeft hij een globaal idee. Zo was bij het boek “Het diner” het basisidee om iets te schrijven rond een groep mensen aan tafel die niet weg konden. Het nadeel van moderne thrillers is volgens hem dat ze zo planmatig met een uitgewerkt plot zijn opgezet en je eigenlijk als geoefend lezer in het begin al weet wie de dader is.

De juiste toon, de rest komt vanzelf
Belangrijk is “de toon” van iemand: “Als ik weet hoe iemand praat , komt de rest van zelf”, aldus Koch. “Zo’n toon schiet je vaak ineens te binnen, bijvoorbeeld onder de douche.” Uitgaande van die “toon” ontwikkelen zich zijn karakers, die je bij hem vooral via de monologen leert kennen. Hij maakt dus van tevoren geen uitgebreide psychologische studies van zijn personages. Ze ontwikkelen zich tijdens het schrijfproces. Ze kunnen zelfs een kant opgaan, die hem als schrijver verrast en zelfs teleur kan stellen: “Dat hij nu ook zulke kleffe taal uitslaat, dat had ik van hem nu helemaal niet verwacht. Juist van hem niet.” Maar het gebeurt hem als schrijver.

Tegendraads
Schrijven is ook de weg vinden tussen wat je denkt en niet kunt zeggen , en wat je wel mag zeggen. Koch zegt dit naar aanleiding van een voorgelezen passage uit “de Greppel” waarin hij met ironie en met het schokmiddel van de zwarte humor omgaat met actuele thema’s uit de maatschappelijke discussie en harde uitspraken bezigt als: het “nieuwe fascisme” is “de wind”, “de windenergie”, “de milieuactivist”, de mensen die op de “ecologische Birkenstocksandalen” lopen en waarbij je associatief denkt aan de bossen in Polen waar ooit een kamp heeft gelegen: “Ik ben een overlevende van Birkenstock”. Zo gaat hij ook tegen de veganisten tekeer met hun “bloedloze gezichten als vanuit afval gewonnen karton”. Dit zo schrijven is voor hem een uitdagend gedachte-experiment, waarbij ook andere meningen naar voren komen. Dit betekent niet dat hij het met deze meningen eens is. Hij wil ook andere , tegendraadse stemmen laten horen. Zo vindt hij dat de euthanasiediscussie te kort door de bocht wordt gevoerd, te weinig rekening houdend met opvattingen van andere culturen.


Lui en plannen
Hij is lui. Lui zijn betekent voor hem , tijd om te mijmeren , en mijmeren heb je nodig om creatief bezig te kunnen zijn. Ook het doen van mechanische huishoudelijke bezigheden – bij voorbeeld afwas, of in de tuin bezig zijn met grasmaaien of snoeien – scheppen ruimte. Hij werkt een paar uur per dag intensief aan een boek. Het overzicht houden of alles klopt wordt met het stijgen der jaren iets moeilijker. Als een boek af is laat hij het eerst drie mensen lezen , onder anderen, zijn vrouw en de laatste tijd ook zijn zoon. Daarna gaat er een redacteur doorheen. Hij wil nog graag een nieuwe roman schrijven, zoals Anna Karenina en Madame Bovary , maar dan vanuit het perspectief van een vrouw. Dus nog werk genoeg.

Een avond waarin het schrijven en leven van een literaire wereldtopper Herman Koch ruime aandacht kregen. Met dank voor de goede voorbereiding en leiding door interviewer Udo Holtappels.

Martin Thijssen

Marja Pruis geïnterviewd door Theo Hakkert

23 januari| Literair Café Helmond
Door Martin Thijssen | Bekijk de foto's

Een geweldige avond waarop Marja Pruis - voortreffelijk geïnterviewd door Theo Hakkert - open en oprecht over haar boeken en schrijverschap vertelt.

Schrijver worden was niet vanzelfsprekend.
Ze komt niet uit een echt “geletterd of artistiek milieu”. Ze was thuis de enige lezer. Het wat teruggetrokken kind van met een boekje in een hoekje. Ze was toen al “de schamer”, die ze nu nog is. Ze zal nooit het hoogste woord voeren, zich altijd bescheiden opstellen. Dat geldt ook voor de redactievergaderingen bij “De Groene”, antwoordt ze op een vraag. Wat ze in te brengen heeft, formuleert ze “kort en bondig”.

De aanduiding “schamer” heeft ze ook opgenomen in de ondertitel, behorend bij haar alom geprezen essaybundel “En genoeg nu over mij. Confessies van een ervaren schamer.” (2017 ). “ Schamer” is eigenlijk geen bestaand Nederlands woord, verduidelijkt ze. Ze heeft het geleerd in het “Schaamte - clubje” van de psychiater Louis Tas. Schaamte is volgens hem “gebrek aan empathie met je zelf”, niet genoeg van jezelf willen accepteren.

Schrijven deed ze vroeger al, maar wel min of meer in het verborgene in schriftjes die ze tussen haar kleding verstopte. Schrijver als beroep was thuis geen optie. Je moest leren en werk vinden. Haar vader kocht wel boeken voor haar. Na zijn overlijden kwam ze als schrijfster eigenlijk pas los. Ze was toch altijd bang om af te gaan voor hem. Over de relatie vader - dochter in het algemeen zal ze later op de avond uit haar essay- bundel het prachtige stuk “Dochterliefde” voorlezen.

Schrijven: vat krijgen op.
Schrijven is voor haar het ideale middel om zaken aan “de oppervlakte” te brengen , ergens greep op krijgen , iets leren begrijpen. Schrijven is ook iets dat je in je eentje kunt. Je bent ook heerser over wat je maakt en - met een glimlach - je kunt ook wraak nemen. Jij bent de baas. Het is jouw wereld.

Ze schrijft zin voor zin. Pas als een zin goed is gaat ze verder. Ze plempt niet een hoop tekst op papier waaraan ze later gaat schaven en ze maakt ook geen schema’s. Ze is wel altijd omringd door aantekeningen , slordig op briefjes en in opschrijfboekjes verzameld. Wanneer ze aan iets nieuws begint, neemt ze gezien haar werk bij Groene wel eens onbetaald verlof , om een flinke aanloop te maken. Eigenlijk is ze dag en nacht met haar werk verweven, vooral ook het schrijven van een vaste column voor “De Groene”, houdt je gedachten en oog en oor voortdurend bezig: Waar zal ik het over hebben? Wat kan ik gebruiken? En dan de stress als je in tijdnood komt.

Eerste boek: “Broddelwerk”.
Haar debuut gaat over Netty Nijhoff de vrouw van de dichter Nijhoff: “De Nijhoffs of de gevolgen van een huwelijk”( 1999) Twaalf jaar voorbereiding had het haar gekost. Een malicieuze recensie in de Volkskrant was het resultaat. Het boek werd als “broddelwerk” neergesabeld. Hoe had een uitgever ooit zoiets kunnen doen verschijnen? Ze liep met schaamrood op de kaken rond. Ze durfde zich haast niet meer te vertonen. Wellicht was ze destijds met de lossere vorm waarin ze het biografische gegeven had gegoten haar tijd vooruit geweest, gezien de toen gehanteerde literaire criteria voor een biografie. Ze was er kapot van, maar ze heeft zich niet uit het veld laten slaan. Binnenkort verschijnt een herdruk met toelichting. Ook al te heftige ,wellicht ietwat gemeen geformuleerde teksten, misschien eigen aan een debuut, zijn bijgesteld. De ruzie met de erfgenaam is bijgelegd.

Welke “ik” is het meest Marja Pruis?
Naar aanleiding van haar essays “Genoeg nu over mij” komt de vraag, waar ze nu het meest met de “ik” samenvalt: in haar romans of in haar essays? Ze zegt wat de romans betreft, dat ze een beetje “fictiemoe” is. Haar interesse ligt niet meer bij “verzonnen werelden” en ook niet bij de “grote economische en politieke thema’s”. Ze zoekt het dichter bij huis en wil “persoonlijk” schrijven. Dus het “schrijvers - ik” in haar columns valt het meest met haar samen, waarbij ze direct opmerkt dat columns “feit en fictie” zijn. Niet iedereen weet dat. Soms wordt ze aangesproken op een voorval uit een column in “De Groene” - “Hoe gaat het met die en die?” - waaruit blijkt dat lezers denken dat alles “echt”is. Ze geeft toe dat ze zelf die fout ook wel eens gemaakt heeft.

Persoonlijk , dicht bij huis
De thema’s in haar essaybundel “Genoeg nu over mij” zijn heel herkenbaar. Het zijn geen zware beschouwingen over tamelijk abstracte onderwerpen. Een greep uit de inhoudsopgave: “Als ik in de spiegel kijk, wat zie ik dan?” ; “Onze kleding ons leven, over het belang er goed uit te zien , en wat is dat?”; “Lekker lachen: Waarom vrouwen niet grappig zijn.”; “ De ervaren schamer. Over je verstoppen en toch gezien worden.”; “Waarover je het niet hebt : Je was de liefde van mijn leven.” ; “ Met enige fanfare naar beneden. Sterven en plein public.”; “Hoe blind kun je zijn. Nog één keer over mannen en vrouwen.” Onlangs verscheen ook “ Omdat je het waard bent. Nieuw licht op eigenliefde”(2017) Het gaat over de like-generatie die het eigen ik lijkt te vieren en als het ware “lof afwimpelt om nogmaals geprezen te worden”, zoals eeuwen geleden De Rochefoucould al zei. “Is men meer van zichzelf gaan houden?”, vraagt Marja Pruis zich af in het boek. Ook over De #Metoo-beweging wil ze binnenkort iets publiceren. Erover schrijven ,helpt haar haar mening helder te krijgen.

Relativeren.
Ze laat ook met gezond relativeringsvermogen zien dat haar visie op zaken een beperkte is. Zo vertelt ze over een fototentoonstelling waarvoor ze als beoordelaar werd gevraagd. Het ging om feministische fotografie. Veel vrouwelijke naakte poezigheid in de natuur rondom de boerderij zag ze. “Aandoenlijk tweede -golf - feminisme”, denkt ze met haar feministisch interpretatiekader, dus met oogkleppen op, zo blijkt , want het geheel is fake: Een kunstig geënsceneerde tentoonstelling. De foto’s waren beelden uit Deense pornofilms. Ook het mooie bijbehorende fotoboek was zo samengesteld. Ze zweert nooit meer over mannen en vrouwen te schrijven .

Een mooie, rijke avond met een open, oprechte Marja Pruis. Een avond die prima geleid werd door interviewer Theo Hakkert.

Martin Thijssen

Auke Hulst

22 november| Literair Café Helmond
Door Martin Thijssen | Bekijk de foto's

Losjes op een hoge kruk zittend , petje op, zijn gitaar naast zich, begint dubbeltalent Auke Hulst (1975) zijn verhaal, dat hij in de loop van de avond muzikaal zal ondersteunen met onder andere prachtige songs van de CD, behorende bij zijn laatste boek “Motel Songs” (2017). Schrijven en muziek gaan bij hem samen.

Generatie lef
Auke Hulst behoort tot de generatie jonge ,bekroonde schrijvers die ook lef hebben om van de Nederlandse literaire traditie af te wijken. Ze durven het experiment aan en de literaire grenzen op te rekken, waarbij ze het moeten opnemen tegen de gevestigde literaire orde. Auke Hulst zal deze avond van de acht boeken die hij inmiddels geschreven heeft er drie speciale aandacht geven: “Kinderen van het Ruige Land” (2012), zijn literaire doorbraak, sterk autobiografisch en veelvuldig bekroond: o.a. BNG Literatuurprijs en Cutting Edge Aword ; “En ik herinner me Titus Broederland” (2016), kreeg de Harland Award (“fenomenaal beschreven apocalyptische wereld”) , en zijn recent verschenen en in de literaire kritiek alom geprezen: “Motel Songs”(2017). In deze laatste roman gaat Auke Hulst op zoek naar sporen - vooral sterfplekken - van zijn literaire en muzikale helden Hemingway, Dick, Cobain, Buckley , Prince , Fitzgerald, en hij schrijft in motelkamers tevens songs . Maar de roman is meer dan een roadnovel, het is ook het beklemmende levensverhaal over zijn vader , en daarmee ook een verwerkingsroman. Daarnaast leren we via gesprekken en ervaringen tijdens de reis het echte, soms harde, onvervalste Trumpland kennen.


Alles kon thuis
“Kinderen van het ruige land” is voor Auke Hulst aanknopingspunt voor het beschrijven van zijn vroegere gezinssituatie. “Een flierefluitende moeder”, die altijd weg was, die alles kocht zonder te betalen ( “Zonde van het geld”) en alles bij elkaar loog. Vader: explosief, en “larger than life” , typisch de journalist van de jaren zeventig met veel roken (twee pakjes per dag) en drank. Alles mocht je als kind, alles kon, een “Pipi- Langkous-huis”. Maar de regelloze opvoeding maakte je tegelijkertijd naar de buitenwereld toe onzeker. Hulst durfde bijvoorbeeld jarenlang op school geen spreekbeurt te houden. Hij vroeg vooraf voor hem maar een 1 te noteren. De latere dichter des Vaderlands , Driek van Wissen, ontdekte als leraar Nederlands via zijn opstellen zijn literair talent.

Lezen verruimt
Thuis vluchtte hij weg in boeken, vooral science fiction (Dick) , later worden Vonnegut met “Slaughterhouse five” en Fitzgerald met “The great Gatsby” zijn voorbeelden. Hij heeft altijd veel gelezen. “Lezen is verruimend.” We zitten anders “opgesloten” in onze eigen wereld. Een boek biedt de mogelijkheid om “andere levens te leven”, niet alleen die van de personages, maar ook dat van de schrijver. Studies maakte hij niet af. Met bluf over de hoogte van I.Q weet hij een baan als journalist te krijgen bij “Vrij Nederland”.


Schrijven en muziek
Hij wil per se schrijver worden. Maar zijn eerste boek duurt tien jaar, nadat hij tientallen eerste hoofdstukken had weggegooid. Hij had ook afstand en emotionele rijpheid nodig. Schrijven is voor Auke Hulst “nadenken met je handen”. “Gedachten zijn vluchtig”, als je ze opschrijft , “stol je ze als het ware” en zijn ze een tastbare aanzet tot verder denken. Schrijven is voor hem het leven en zichzelf onderzoeken op papier. Woorden vinden “voor voorheen woordloze dingen”. Maar hij houdt ook van muziek. Soms is het moeilijk kiezen. Met ontroering leest hij voor uit “En ik herinner me Titus Broederland”: “Muziek is tegelijk van deze wereld en er ver boven verheven, zonder lichaam maar in staat het lichaam te doordesemen, zonder gewicht maar in staat het gewicht van het gemoed te beïnvloeden. Muziek is onaanraakbaar en raakt ons aan.”

Een mooie avond met een dubbeltalent dat het lef heeft onbetreden paden te begaan.
Martin Thijssen

Hanna Bervoets

24 oktober | Literair Café Helmond
Door Martin Thijssen | Bekijk de foto's

Hanna Bervoets (1984) is een vlotte vertelster, cultureel breed georiënteerd - ook goed bekend met de populaire cultuur - en wars van heilige huisjes. Ze heeft met twee literaire prijzen een prachtig jaar achter de rug: De Kellendonkprijs voor haar hele oeuvre” en de BNG- literatuurprijs voor haar voorlaatste roman “Ivanov” (2016) Naar aanleiding van haar laatste roman “Fuzzie” (2017) - geprezen vanwege de rake observaties ,de onverwachte invalshoeken en de intrigerende vragen die worden opgeworpen - stelt haar interviewer, de literatuurcriticus Jeroen Vullings, zijn openingsvraag: “ Hanna, hoe komt nu een boek, een roman, bijvoorbeeld “Fuzzie”, tot stand? Is het een vonk die plotseling overslaat? Hoe werkt dat bij jou?”

Je hebt een idee
“Je hebt een idee, en dat wordt allengs een obsessie. Het heeft altijd ook iets met mezelf te maken.” Bij ‘Fuzzie’ was het haar verdriet als gevolg van een verbroken relatie. Bij haar voorlaatste boek ‘Ivanov’(2016), was het uiteindelijk een boek over de Russische wetenschapper Ivanov die experimenteerde met de kruising van apen en mensen. In dit boek werd in een voetnoot gewezen op de mogelijk overdracht van het HIV- virus via een aap op de mens. Eerder in haar studietijd had ze zich de hele Aids- problematiek eigen gemaakt: “Ik wist er dus veel van. En dan ga je waarom-vragen stellen. Waarom zijn die experimenten nu niet meer mogelijk? Wellicht kunnen ze mensen redden? En zo ontstaat dan je boek.” Bij “Céline”( 2011) was het een Vip-spotter die ze, aansluitend bij haar belangstelling voor populaire, alternatieve cultuuruitingen, een dag lang volgde.

Een luie schrijver
Ze zegt dat ze een “luie schrijver” is en bewust kiest waarover ze wel of niet schrijft. Zo zou ze over een historisch onderwerp niet willen schrijven, dat vergt te veel research. Ze kan het geduld daarvoor niet opbrengen. Ze kan ook niet een onderwerp oppakken waar ze helemaal niets van weet en zich daar vervolgens twee jaar lang in gaan verdiepen.

Geen verheven gedoe
Schrijven is voor haar opperste concentratie die tot een eruptie komt. Zich elke dag weer naar tevredenheid leeg kunnen schrijven, dat geeft voldoening en is de beloning voor een schrijver. Iets anders zou ze ook niet kunnen. Geen baan van 9 – tot 5. Vullings merkt op dat in het verleden schrijvers wel eens gezien werden als een intermediair tussen boven en beneden. “Is schrijven misschien toch een soort religieuze activiteit?” Bervoets moet van dit “verheven , gedoe” niets hebben. Schrijven is gewoon een bezigheid. Je kunt het ook als aangenaam tijdverdrijf doen, gewoon zoals naar een serie kijken. Je moet een schrijver niet op een voetstuk plaatsen. Maar wil ze als schrijver dan niet erkend worden, misschien ooit de Nobelprijs krijgen? Erkenning vindt ze belangrijk. Je schrijft als schrijver om gelezen te worden.

Personages
Vullings merkt op dat hij in haar werk een ontwikkeling in haar personages constateert. Bervoets beaamt dat. Ze zijn “reflexiever” geworden. Ze ontwikkelen meer eigen gedachten en beschouwingen. Hoever gaat haar meeleven met haar personages bij het schrijven, gezien de rol ook van empathie in haar werk? Heeft ze voorkeuren, zijn er “lievelingen?” Ze aarzelt. Niet echt, maar dan soms toch wel. Zoals de pensionado uit “Fuzzie die iets van haar vader heeft. Ze vertelt dat haar personages vaak gebaseerd zijn - weliswaar heel vaag- op personen die ze kent. Ook geeft ze toe dat Maisie en haar ex Florence uit “Fuzzie “wel “lievelingen” zijn. Maar als een boek eenmaal verschenen is , is het voor haar over het algemeen snel over en uit met de genegenheid. Er is voor haar dan een periode afgesloten.

Niet terugkijken
Ze wil ook nooit een bewerking voor een toneelstuk of film maken. Ze moet dan weer helemaal terug in de wereld en sfeer waarin het werk is ontstaan. Daar heeft ze geen zin in. Ook met de vertalingen van haar werk die nu overal in de wereld verschijnen ,bemoeit ze zich er niet meer. Ze wil vrij zijn voor ander nieuw werk.

Andere schrijvers
Heeft ze als schrijver voorbeelden. Ze denkt lang na. Ze noemt een enkele Amerikaanse schrijver. Maar eigenlijk niet echt. Van “Een klein leven” van Hanya Yanagihara zegt ze wel dat ze dat als zeer aangrijpend heeft ervaren, waarna een tijd lang elk ander boek daarmee vergeleken in het niet leek te vallen. Of ze tijdens het schrijven ook nog boeken leest van andere schrijvers? Vroeger niet. Nu wel weer, maar dan toch vooral boeken die ze al gelezen heeft en waar ze iets mee heeft ,bijvoorbeeld wat stijl betreft, zodat ze met het herlezen ervan haar eigen schrijfproces als het ware kan ondersteunen. Stijl kent ook een bepaalde cadans ,waardoor je als het ware in trance schrijft. Ze illustreert dit bij het voorlezen van de eerste bladzijde uit “Fuzzie”.

lezers
Of ze enig idee heeft hoe haar vertaalde boeken het buitenland gaan doen? Ze heeft gehoord dat er in Duitsland en Frankrijk wat meer belangstelling voor literatuur is en dat de literatuurbijeenkomsten beter bezocht zouden worden. Ze merkt daarbij op dat ze en zo een druk bezochte bijeenkomst zoals hier vanavond in Helmond nog nooit heeft meegemaakt. Dat is echt een uitzondering. Vullings beaamt dat. Zowel Bervoets als Vullings zien in ons land hoe de boekhandels en uitgevers op allerlei manieren pogen om lezers te trekken. Er wordt daarbij soms wat “afgesold” met ons als schrijvers, aldus Bervoets. Bervoets zegt dat ze vroeger als kind veel las, maar op school door het “lezen voor de lijst” is het snel minder geworden. Ze heeft de kantjes eraf gelopen. Ze heeft zelf geen herinneringen aan een bevlogen leraar Nederlands. Leerlingen voor literatuur interesseren eist wel die bevlogenheid. Je moet zelf achter een boek staan, en dat weten over te dragen. Wat voor boek doet er niet toe.

Een mooie, interessante avond waarop de literatuur ook in een ruimere context ter sprake kwam. Dank aan Jeroen Vullings voor het stellen van de juiste vragen.
Martin Thijssen

Marcia Luyten

wo 20 sept | Literair Café Helmond
Door Martin Thijssen | bekijk de foto's!

Een volle zaal. De bijna zeshonderd aanwezigen genieten, want Marcia Luyten (1971), gewezen diplomate, journaliste, schrijfster en presentator van het VPRO-programma Buitenhof is een geboren vertelster, die haar publiek met haar verhaal over de opkomst en teloorgang van de mijnen in Zuid-Limburg van begin af aan weet te boeien. Voor dit verhaal, opgetekend in haar laatste boek “Het geluk van Limburg”( 2015) kreeg ze in 2016 de Brusse-prijs voor het beste Nederlandstalige journalistieke boek.

Onwetend
Marcia Luyten groeide op aan de rand van de mijnstreek en zag vanuit het ouderlijk huis hoe aan de horizon de silhouetten van koeltorens en mijnliften allengs verdwenen. “Goed dat de mijnen verdwijnen”, hoorde ze thuis. “Het was maar slavenarbeid daar.” Dat was het. Ook op school en later op de universiteit tijdens haar studie Economie in Maastricht hoorde ze, ondanks de kaalslag die overal in de mijnstreek plaatsvond, verder niets over de mijnen.
Haar interesse voor de eigen Limburgse mijnhistorie werd gewekt toen ze als correspondente werkte in Afrika in landen met rijke bodemschatten en daar met de vaak rampzalige gevolgen van de mijnbouw werd geconfronteerd: smerige oorlogen, zoals in Kongo. Zij zou die ongeschreven bladzijdes van de mijngeschiedenis van Limburg gaan vullen.

De opkomst
Lange tijd heerste in Nederland - onder andere gestimuleerd door Willem I - de opvatting dat Nederland handelsnatie en geen industrie-natie moest zijn. De gevolgen van industrialisatie elders in de wereld werden met afschuw bekeken, want dat betekende verpaupering. Het rode gevaar, het socialisme dus, vond daar een gemakkelijke voedingsbodem. De mijnbouw werd daarom wel in het verre Zuiden geduld, dat was ver genoeg weg van de rest van Nederland. Maar kolen werden steeds belangrijk voor de economie.
In 1902 werd het Staatsbedrijf Staatsmijnen Limburg opgericht. Het ver afgelegen Limburg werd door de politici allengs gezien als een rijk wingewest op eigen bodem. Doel was zo veel mogelijk opbrengst te genereren. Er kwamen nederzettingen voor mijnwerkers “koloniën” genoemd (nadruk op laatste lettergreep), die grote overeenkomsten hadden met de ruime nederzettingen van de plantagebouwers in het toenmalige Nederlands Indië. Er werd gekozen voor overzichtelijke erven met brede straten, royale sportvelden, gesubsidieerde (muziek) verenigingen, toneelzalen en gemeenschapshuizen. De huizen hadden een voortuin vol bloemen en een moestuin achter. Tuinieren was behalve gezond voor lijf en geest ook een zinvol tijdverdrijf. Wie in zijn voortuin het onkruid liet woekeren was verdacht. Hier zou de vrije tijd kunnen opgaan aan rode - lees socialistische - gedachten. Kortom het was een bewust project van “sociaal engineering” dat nog meer vorm kreeg toen Staat, Mijn en Kerk als een Trojka gingen samenwerken.


Dr. Henri Poels
De bijdrage van de kerk kwam via Dr. Henri Poels, afkomstig uit Venray, met een bewogen kerkelijke loopbaan achter de rug, markant en met charisma. Hij wordt in 1910 door de bisschoppen benoemd tot “Hoofdaalmoezenier sociale werken”.
Omdat de Limburgse jongens aanvankelijk argwanend waren gebleven tegenover het ondergrondse bestaan, waren veel Duitsers, Polen, Slovenen, Tsjechen en Italianen gaan binnenstromen. Jonge mannen zonder vrouwen in den vreemde. Mede hierdoor dreigde Limburgs vredige rust ten onder te gaan anarchie en zedeloosheid. Poels moest het socialistische gevaar afwenden en ontkerkelijking en zedeloosheid tegengaan. Hij begon “de katholieke zuil” te organiseren: katholieke woningbouwverenigingen, geen grauwe stadwijken, maar ruim opgezette wijken naar het voorbeeld van de Engelse tuinsteden. Zelfs Hitler stuurde zijn architect Speer naar Limburg om te gaan kijken. Er kwamen woninginspecteurs die keken of alles proper was, of men gezond at, of er niet teveel alcohol werd gedronken, of het huishoudboekje op orde was, en er vanaf een bepaalde leeftijd “zedelijk ”dus gescheiden geslapen werd. Er kwam een mijnpolitie. Het kerkbezoek werd gecontroleerd, er waren gezellenhuizen, er was een katholieke gezondheidszorg en er kwamen katholieke huishoudscholen en een RK werkliedenbond.
Wanneer je in de mijn wilde werken, liep dat via de pastoor die je kerkbezoek controleerde en je daarna een briefje gaf, waarmee je aan de slag kon. Allengs werd de mijnwerker van de wieg tot het graf verzorgd en gecontroleerd.

De bewonderde macho’s
Het imago van mijnwerker kreeg een impuls door de Vakschool voor mijnwerkers. Je kon werken, geld verdienen en leren laten samengaan, en dus ook stoer roken, drinken en brommer rijden, want je had geld. Je was iemand. Mijnwerkers konden het beste vechten, lopen, drinken, voetballen. Men was trots op het bestaan als mijnwerker. Mijnwerkers behoorden tot de best betaalde werknemers. Mijnwerkers droegen in belangrijke mate bij aan de welvaart van ons land en hadden als zodanig landelijk aanzien.


De oorlog
De oorlog kwam. Na aanvankelijk veel stemmen voor de NSB, loopt dat snel terug. De katholieke kerk verbiedt als eerste het lidmaatschap. De mijnen zijn voor de bezetter belangrijk. Maar de Limburgers mijnwerkers en mijndirecties verzetten zich. Marcia Luyten wijst hier op een heersend vooroordeel. Toen Koningin Wilhelmina een van haar ministers vroeg hoe het verzet in Limburg was geweest antwoordde die: dat hem geen Limburgs verzet bekend was. Ook Lou de Jong vermeldt niets. Toch was er wel degelijk sprake van verzet. Twee grote mijnstakingen, vergelijkbaar met de Februari-staking, zijn er geweest. Tientallen mensen zijn daarbij opgepakt en gefusilleerd. Velen zijn naar concentratiekampen gebracht. Veel joden zijn ondergedoken in Limburg. Hun donkere haar viel daar niet zo op door de import van de vele buitenlandse mijnwerkers. Twintig procent minder Joden zijn uit Limburg gedeporteerd, vergeleken met de rest van Nederland. Feiten die je nooit hoort.

Na het geluk kwam het verdriet.
Den Uyl had in 1965 de durf om de knoop door te hakken en de mijnen te sluiten. Er moest al jaren geld bij. Maar een echt design zoals bij de opkomst van de mijnen ontbrak. Zwaar gesubsidieerde industrieën kwamen en gingen. Een paar bleven er, zoals DSM. De universiteit Maastricht en Ned Car kwamen. Maar er werd vooral gesloopt. Er werd niet getracht om op basis van aanwezige kennis, bijvoorbeeld de mijnbouwtechnologie, iets nieuws op te bouwen. De gestudeerden trokken weg: Braindrain.
Mensen kwamen werkloos of met een uitkering thuis te zitten. Maar ook de ziektes kwamen naar boven: de stoflongen. Men moest bedelen om een tegemoetkoming voor de stoflongen. Men voelde zich verlaten, miskend. Een door de zorg van de wieg tot het graf aangekweekte passiviteit doet zich gelden. En onlangs zei de regering nog dat de huisverzakkingen als gevolg van drooggelegde mijngangen zijn verjaard. Dit wekt wrevel en kweekt, wellicht PVV- stemmers. Men voelt mee met de Groningers.
Maar er gloort ook hoop. Rond de steden Maastricht, Heerlen, Roermond ontwikkelen zich overal kenniscampussen. Hopelijk krijgen die een vliegwielfunctie, zoals de universiteit van Maastricht. Burgemeesters werken meer samen, i.p.v. elkaar te beconcurreren. Ook komt er weer belangstelling voor het verleden. In 2015 zijn de eerste “Mijnbouwdagen” geweest.


Objectief en subjectief
Marcia Luyten verwerkt in haar boek ook de ware familiegeschiedenis van Sjakie Vinders. Ze geeft de objectieve feiten van haar verhaal hiermee een subjectieve menselijke inkleuring. Historie wordt zo levend. Zonder Sjakie Vinders was haar boek er nooit gekomen.


Motherland
Marcia Luyten sluit voor de pauze af met het ontroerend mooi door haar gezongen: “Motherland” van Natalie Merchant ,waarbij ze begeleid wordt door vier zichzelf “gelegenheidsmusici” noemende muzikanten uit de streek. Op verzoek van de zaal zingt ze het lied nog een keer als slot. Dit lied had ze vaak in haar hoofd bij het schrijven van haar boek het “Geluk van Limburg” Een geweldige avond met overrompelende momenten, afgesloten met een daverend applaus.

Martin Thijssen



Lid worden?

Vanaf € 60.- bent u donateur van het Literair Café Helmond. U heeft gratis toegang tot onze 6 literaire avonden en mag bovendien gratis 1 introducé meenemen. Zo bespaart u 50% ! Ook ontvangt u voor elke avond informatie over de schrijver (per email en eventueel per post).

Nieuwe donateurs kunnen zich aanmelden via het aanmeldformulier op deze website of bij het secretariaat:

Wethouder van Wellaan 142
5703 CN Helmond
Tel. 0492 532496

Losse kaartjes kosten € 10,00 (tot 18 jaar € 5,00)
Kaarten zijn alleen aan de zaal verkrijgbaar.
Reservering van plaatsen is niet mogelijk.